Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 november 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:14687
Feiten
Werknemer is op 16 oktober 2017 in dienst getreden bij de eenmanszaak, als taxichauffeur. Op 1 mei 2024 is werknemer in dienst getreden bij verweerster, een bv opgericht door dezelfde eigenaar, op basis van een arbeidsovereenkomst. Op 25 april 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. Op 4 mei 2025 heeft verweerster telefonisch meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2025 van rechtswege zou zijn geëindigd, stellende dat er sprake was van een contract voor bepaalde tijd. Werknemer betwist dit en stelt dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, die niet rechtsgeldig is opgezegd. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortduurt, doorbetaling van loon tijdens ziekte, uitbetaling van achterstallig loon en vakantiebijslag, en nakoming van re-integratieverplichtingen. Verweerster stelt dat het dienstverband van rechtswege is geëindigd en betwist de vorderingen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en verweerster moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat werknemer bij dezelfde werkgeefster, onder dezelfde leiding en met dezelfde werkzaamheden is blijven werken. De arbeidsovereenkomst is niet van rechtswege geëindigd en duurt voort. Verweerster wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon vanaf 1 mei 2025, het loon tijdens ziekte, het reguliere loon zodra werknemer weer arbeidsgeschikt is, het te weinig uitbetaalde loon over de periode 1 juni 2024 tot 1 mei 2025, en de opgebouwde vakantiebijslag over de relevante periode. De re-integratieverplichtingen worden niet met een dwangsom opgelegd, omdat verweerster nu pas duidelijkheid heeft over het voortduren van het dienstverband.
