Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 9 december 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2555
Feiten
Geïntimeerden waren tijdens het dienstverband werkzaam bij Schoonmaakbedrijven B.V. (hierna: werkgeefster) en hadden zich contractueel verbonden geen nevenwerkzaamheden te verrichten. Na het sluiten van vaststellingsovereenkomsten, waarin finale kwijting werd verleend, stelt werkgeefster te hebben ontdekt dat geïntimeerden toch nevenwerkzaamheden hadden verricht. Zij vordert daarom gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomsten, terugbetaling van salaris en een boete. Geïntimeerden verweren zich door te stellen dat de nevenwerkzaamheden een hobbymatige activiteit betroffen zonder negatieve invloed op het werk, dat partijen afstand hebben gedaan van de mogelijkheid tot ontbinding en dat een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding in strijd met goed werkgeverschap en redelijkheid en billijkheid is. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkgeefster afgewezen, omdat in de vaststellingsovereenkomsten expliciet afstand is gedaan van het recht op vernietiging wegens dwaling. Dit wordt versterkt door het feit dat beide partijen juridisch zijn bijgestaan en de conceptovereenkomst door werkgeefster is opgesteld. Daarnaast kan werkgeefster geen beroep meer doen op schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. De vaststellingsovereenkomsten bevatten een finale kwijting zonder uitzonderingen, wat betekent dat ook aanspraken uit het nevenwerkzaamhedenbeding daarmee zijn komen te vervallen. Werkgeefster stelt dat de nevenwerkzaamheden kwalificeren als een "andere baan" in de zin van de vaststellingsovereenkomsten, waardoor het dienstverband eerder zou eindigen. De kantonrechter oordeelt dat met "andere baan" een volwaardig dienstverband wordt bedoeld, waarmee een volwaardig salaris wordt verkregen. De activiteiten van geïntimeerden met de webwinkel, die zonder winstoogmerk en hobbymatig zijn verricht, vallen hier niet onder. Werkgeefster heeft onvoldoende betwist dat de webwinkel slechts geringe inkomsten genereerde en geen professionele onderneming was. De grieven van werkgeefster zijn ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Geïntimeerden hebben een webwinkel opgericht, terwijl zij daar op grond van het overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding melding van hadden moeten maken. In de gegeven omstandigheden leidt dit er echter niet toe dat zij de contractuele boete zijn verschuldigd. De webwinkel hield op geen enkele manier verband met de bedrijfsactiviteiten van werkgeefster. Werkgeefster heeft nagelaten steekhoudende argumenten te verstrekken waarom zij redelijkerwijs haar toestemming had kunnen onthouden indien geïntimeerden wél om voorafgaande toestemming hadden verzocht. Het betoog op basis waarvan werkgeefster zich op dwaling beroept, is ongegrond, partijen hebben contractueel uitgesloten dat de vaststellingsovereenkomst kan worden vernietigd op grond van dwaling. Naar het oordeel van het hof kunnen de werkzaamheden die geïntimeerden voor hun v.o.f. verrichtten, niet worden beschouwd als een "andere baan" in de zin van een bepaling in de vaststellingsovereenkomst op basis waarvan de arbeidsovereenkomst met werkgeefster eerder eindigt wanneer (een) geïntimeerde(n) een andere baan aanvang(t)(en). Geïntimeerden hebben redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat werkgeefster met het begrip "andere baan" ook doelde op werkzaamheden voor een eigen bedrijf. Daarvoor is van belang dat is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst met werkgeefster eindigt op de datum waarop een "nieuwe arbeidsovereenkomst" ingaat. Geïntimeerden zijn echter geen arbeidsovereenkomst met de v.o.f. aangegaan. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
