Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 28 november 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:10622
Feiten
Bij beschikking van 6 oktober 2025 (zie AR 2025-1374) heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de betekenis van de brief van 27 mei 2025 van Hebo aan werkneemster in het kader van de gevorderde ontbinding. Uit de reactie van partijen blijkt dat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd bij brief van 27 mei 2025. Dit brengt met zich dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en dat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Volgens vaste jurisprudentie is een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie slechts mogelijk in geval van ernstige wanprestatie. Hebo legt aan haar verzoeken ten grondslag dat werkneemster haar bij de sollicitatie heeft misleid en valse inlichtingen heeft gegeven over de eerder door haar uitgevoerde werkzaamheden, de wijze waarop de eerdere arbeidsovereenkomst is geëindigd en haar ervaring met het boekhoudprogramma Exact. Daarnaast is zij niet geschikt voor de functie van administratief medewerkster. De kantonrechter stelt vast dat de gestelde misleiding en de onjuist gegeven inlichtingen door werkneemster zien op de sollicitatie, derhalve de periode voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Deze zien niet op de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en kunnen om die reden niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een toerekenbaar tekortschieten. Het verzoek tot ontbinding op grond van wanprestatie wordt daarom afgewezen. Voor zover aan artikel 7:686 BW ook ten grondslag wordt gelegd dat er sprake is van disfunctioneren wordt het verzoek eveneens afgewezen omdat disfunctioneren geen ernstige tekortkoming oplevert. Hetzelfde geldt voor de uitlatingen die werkneemster zou hebben gedaan over bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van Hebo. De kantonrechter wijst de verzochte ontbinding op deze grond dan ook af. Dit geldt ook voor de door Hebo aan de ontbinding op grond van artikel 7:686 BW gekoppelde schadevergoeding. Ook het verzoek tot ontbinding op de e-grond wordt afgewezen, omdat Hebo dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als aan haar verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:686 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het ontbindingsverzoek op de g-grond wel. Hebo heeft verzocht werkneemster te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade. Haar schade bestaat uit het door een tussenpersoon aan Hebo gedeclareerde bedrag van € 9.720 exclusief btw, de cursuskosten van € 853,25 en het openstaande bedrag uit hoofde van de geldlening van € 3.500, aldus Hebo. Werkneemster wordt alleen veroordeeld tot terugbetaling van de geldlening. Hebo is als verzoekster de transitievergoeding verschuldigd omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster. De kantonrechter ziet geen aanleiding om werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Hebo.
