Rechtspraak
Feiten
De goederen van werknemer zijn op 18 oktober 2021 onder beschermingsbewind gesteld wegens verkwisting of problematische schulden. Tussen werkgever en werknemer heeft een arbeidsovereenkomst bestaan in de periode van 1 mei 2024 tot en met 8 augustus 2024. In de periode van 26 oktober 2023 tot en met 21 juni 2024 heeft werkgever in totaal € 27.700 overgemaakt naar verschillende bankrekeningen met uiteenlopende tenaamstellingen, onder vermelding van “Voorschot op toekomstig salaris werknemer”. Bij de eindafrekening van het dienstverband heeft werkgever een deel van deze bedragen verrekend met het aan werknemer toekomende loon. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat deze verrekening niet is toegestaan, omdat er sprake is van beschermingsbewind en de bewindvoerder geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van een schuld door werknemer. De bewindvoerder vordert onder meer betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen en een verklaring voor recht dat er geen rechtsgeldige leningsovereenkomst tot stand is gekomen. Werkgever verweert zich tegen deze vorderingen en stelt dat hij bevoegd was het loon te verrekenen met de betaalde voorschotten. Daarnaast vordert werkgever in reconventie terugbetaling van een bedrag van € 21.973,36.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt vast dat de goederen van werknemer ten tijde van de verrekening onder beschermingsbewind stonden. Hoewel de arbeidsovereenkomst zelf niet onder het bewind valt, gelden de uit die overeenkomst voortvloeiende vermogensrechten zoals het recht op loon wel als goederen in de zin van het bewind. Ook een geldlening of een voorschot dat leidt tot een schuld is een vermogensrecht. Voor het aangaan van een schuld door werknemer was daarom de medewerking van de bewindvoerder of een machtiging van de kantonrechter vereist. Vaststaat dat die medewerking of machtiging ontbreekt. Nu het bewind was gepubliceerd in het Centraal curatele- en bewindregister, wist werkgever althans had hij behoren te weten dat sprake was van beschermingsbewind. Werkgever kan de schuld van werknemer daarom niet verhalen op de onder bewind staande goederen. Verrekening van het betaalde voorschot met het loon is niet toegestaan en werkgever heeft geen aanspraak op terugbetaling van het resterende bedrag. Het beroep van werkgever op stilzwijgende instemming van de bewindvoerder faalt. De kantonrechter oordeelt dat de door werkgever toegepaste verrekeningen en inhoudingen op het loon onterecht zijn. Daarnaast mocht werkgever geen loonstop toepassen wegens het niet verschijnen van werknemer op het werk, omdat deze loonstop niet vooraf was aangekondigd en werknemer niet was gewaarschuwd. Hierdoor heeft werknemer recht op doorbetaling van het loon vanaf 11 juli 2024. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 5.545,67 netto aan achterstallig loon toe, te vermeerderen met wettelijke rente en een wettelijke verhoging, waarbij de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%.
