Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 28 oktober 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:5080
Feiten
Werkgeefster exploiteerde een hotel. Bestuurder A en bestuurder B zijn indirect (via hun persoonlijke bv’s) bestuurders van werkgeefster. Eind augustus 2022 zijn werkneemster en haar partner met werkgeefster een overeenkomst aangegaan voor schoonmaakwerkzaakheden tegen betaling van een bepaald geldbedrag gekoppeld aan ‘occupation’ en verblijf in een van de hotelkamers. Vanaf 22 augustus 2022 is wekelijks een bedrag van € 163,33 overgemaakt. Vanaf 5 maart 2024 heeft werkgeefster de betalingen opgeschort wegens het ontbreken van een inschrijvingsnummer bij de KvK. Uiteindelijk is een bedrag van € 653,32 door werkgeefster aan werknemer overgemaakt met de omschrijving “finale kwijting”. Op 12 juli 2024 is de exploitatie van het hotel overgenomen door een ander bedrijf. Dit bedrijf heeft vervolgens de overeenkomst opgezegd per 31 juli 2024. Op 16 december 2024 hebben de bestuurders van werkgeefster een ontbindingsbesluit genomen. Op 20 januari 2025 is de ontbinding van werkgeefster opgenomen in het handelsregister. In onderhavige procedure vordert werkneemster werkgeefster en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.865,32 bruto minus het reeds voldane bedrag van € 7.513,18 netto aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, het verstrekken van deugdelijke netto/brutospecificaties op straffe van een dwangsom, het afdragen van premies aan het Pensioenfonds Horeca & Catering op straffe van een dwangsom en betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Werkneemster stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Werkgeefster voert verweer en stelt dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid en dat zij aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Werkgeefster stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat werkneemster en werkgeefster beiden ontvankelijk zijn. Werkneemster heeft namelijk de dagvaarding uitgebracht voordat de ontbinding van werkgeefster was ingeschreven in het handelsregister. Vervolgens toetst de kantonrechter in twee stappen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarvoor verwijst de kantonrechter naar de in het Deliveroo-arrest geformuleerde gezichtspunten. De eerste stap ziet op de overeengekomen rechten en plichten. Op basis van het dossier en hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard stelt de kantonrechter vast dat er via Teams is besproken wat er gedaan moest worden in het hotel, in de overeenkomst geen namen of data zijn vermeld, werkneemster en haar partner wel per Whatsapp hebben ingestemd met het contract en werkneemster en haar partner vervolgens in twee kamers van het hotel zijn getrokken. Verder blijkt uit e-mailcorrespondentie dat tussen partijen een werkweek van vier dagen is afgesproken. De werkzaamheden van werkneemster en haar partner zagen met name op de schoonmaak en de was, het signaleren wanneer onderhoud noodzakelijk was, het inkopen van de nodige artikelen en het binnenlaten/rondleiden van gasten. Werkneemster was vrij om te bepalen wanneer en welke kamers zij schoonmaakte, maar werkgeefster kon wel aanwijzingen geven over de schoonmaak. In de tweede stap oordeelt de kantonrechter dat bovenstaande kwalificeert als arbeidsovereenkomst. Daarvoor is relevant dat werkneemster en haar partner kernwerkzaamheden van een hotelorganisatie uitvoerden, de werkzaamheden daarmee een onmiskenbaar en structureel karakter hebben, werkneemster aanwijzingen ontving, niet is gebleken dat zij enige invloed heeft gehad op de hoogte van de beloning en van enig ondernemerschap ook niet is gebleken. De arbeidsomvang stelt de kantonrechter vast op 32 uur (vier dagen), zoals werkneemster heeft gesteld en toegelicht. Op basis van de cao Horeca & Catering heeft werkneemster volgens de kantonrechter onbetwist gesteld dat zij recht heeft op een bedrag van € 21.012,48 bruto over de periode van 31 augustus 2023 tot 31 juli 2024. Verder maakt werkneemster aanspraak op vakantiegeld (8%) en niet-opgenomen en niet uitbetaalde vakantie-uren van in totaal 147 uur. De totale loonvordering van werkneemster komt daarmee in beginsel uit op € 24.865,32 bruto. Het verweer van werkgeefster dat een deel van het loon door de inwoning in natura is uitbetaald wordt verworpen. Hoewel de kosten van de inwoning op grond van artikel 7:617 lid 1 onder c BW een toegestane loonvorm zijn, is het op grond van de Wml verboden inhoudingen te doen op het wettelijke minimumloon. Gesteld noch gebleken is dat er aan de voorwaarden voor de uitzondering op dit verbod is voldaan. Wel is de loonvordering maar tot 12 juli 2024 toewijsbaar, omdat het hotel daarna door overgang van onderneming is overgegaan naar een ander bedrijf. Dit deel van de loonvordering zal dan ook worden afgewezen, te weten € 875,52 (2 x 32 uur x € 13,68). Gelet op het vorenstaande zal een bedrag aan achterstallig loon van € 23.989,80 bruto onder aftrek van € 7.513,18 netto worden toegewezen, vermeerderd met de (gematigde) wettelijke verhoging van 25% en de gevorderde wettelijke rente. Daarnaast wordt werkgeefster op straffe van dwangsommen veroordeeld deugdelijke netto/brutospecificaties te verstrekken, pensioen af te dragen voor de periode 31 augustus 2023 tot en met 11 juli 2024 en de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden. Tot slot oordeelt de kantonrechter dat de bestuurders uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door werkneemster geleden schade, omdat zij gedurende langere tijd niet hebben voldaan aan de wettelijke verplichtingen.
