Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 13 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:11807
Feiten
Verweerster ontvangt een persoonsgebonden budget voor onder andere persoonlijke verzorging. Verzoekster is zorgverleenster. Per oktober 2023 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten aan de hand van een daarvoor door de SVB opgesteld formulier met als titel “Zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst Zvw of meerdere wetten”. Verzoekster heeft verweerster maandelijks gefactureerd. In maart 2025 heeft verweerster de overeenkomst opgezegd. Verzoekster verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en verweerster te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, een schadevergoeding wegens misgelopen inkomsten en een billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op basis van de verklaringen van partijen tijdens de zitting kan worden vastgesteld dat verweerster in het begin in de veronderstelling was dat verzoekster op basis van een arbeidsovereenkomst zou werken en zij daarom gebruik heeft gemaakt van het daarvoor bestemde formulier van de SVB. Verzoekster ging er in het begin van uit dat zij op basis van een opdrachtovereenkomst zou werken. Volgens verzoekster heeft zij namelijk als zzp’er gesolliciteerd en de facturen daarom op naam van DA Zorg gezet. In deze omstandigheden kan aan de bewoordingen en bepalingen van het formulier “zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst” geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De kantonrechter stelt vast dat pas na aanvang van de werkzaamheden voor verweerster duidelijk werd dat verzoekster een onderneming had en dat partijen anders hebben gehandeld dan in de schriftelijke overeenkomst staat. Verzoekster ontving immers geen salarisspecificaties en het daarop gebaseerde nettosalaris via de SVB, maar stuurde op verzoek van verweerster facturen die verzoekster (zelf) op naam van haar onderneming DA Zorg had gezet en verweerster declareerde deze facturen bij haar zorgverzekeraar DSW. Na uitbetaling van de declaratie betaalde verweerster de facturen aan DA Zorg. Deze handelwijze ligt niet voor de hand bij een arbeidsrelatie en wijst duidelijk in de richting van een opdrachtovereenkomst. De kantonrechter stelt vast dat verweerster de overeenkomst niet is aangegaan in het kader van de exploitatie van een beroep of bedrijf, maar omdat zij persoonlijk zorg nodig heeft waarvan zij afhankelijk is. Verzoekster heeft niets gesteld over de inbedding van haar werk in de organisatie van verweerster. Er zijn wat betreft het inbeddingsaspect dus geen aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst. Verzoekster moest de werkzaamheden persoonlijk verrichten maar kon zich laten vervangen in geval van ziekte of verhindering. Op de zitting is gebleken dat verweerster voor een half jaar een rooster maakte voor verzoekster en andere zorgverleners, en dat verzoekster haar diensten in een appgroep kon ruilen met andere zorgverleners zonder bemoeienis van verweerster. Ook kon verzoekster in overleg met verweerster op een van het rooster afwijkend tijdstip de werkzaamheden uitvoeren. Verder mocht zij er opdrachten voor anderen naast doen. Verzoekster had dan ook een bepaalde vrijheid in het bepalen wanneer en op welke tijdstippen zij haar werkzaamheden verrichtte. Deze omstandigheden wijzen meer in de richting van een opdrachtovereenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Van instructies van verweerster over de wijze waarop verzoekster de zorg moest verlenen is niet gebleken. Van belang is dat verzoekster zichzelf presenteert als onderneemster. Verweerster mocht hieruit afleiden dat verzoekster in feite voor haar werkte als zzp’er. Deze omstandigheden wijzen in de richting van een opdrachtovereenkomst. De kantonrechter oordeelt op basis van alle omstandigheden in onderling verband bezien dat de overeengekomen rechten en verplichtingen niet voldoen aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst. Dit leidt tot afwijzing van de verzochte verklaring voor recht en de daarmee samenhangende verzochte transitievergoeding, (de kennelijk verzochte) vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en de verzochte billijke vergoeding. Verzoekster wordt in de proceskosten veroordeeld.
