Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 24 september 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:7731
Feiten
Werknemer is per 6 januari 2025 voor onbepaalde tijd bij Middenoostenreizen B.V. (hierna: MOR) in dienst getreden. Werknemer heeft kort na zijn indiensttreding meerdere malen gesproken met de eigenaar van MOR, de heer A, over door werknemer als onregelmatigheden op financieel-administratief gebied aangeduide zaken. Ook heeft hij hierover gesproken met het accountantskantoor van MOR, te weten BDO Accountants & Adviseurs (hierna: BDO). Op 28 april 2025 hebben partijen een functioneringsgesprek gehad. Tijdens dit gesprek heeft MOR onder meer het belang benadrukt van de aanwezigheid van werknemer op kantoor. Vervolgens is tussen partijen gecorrespondeerd over de samenwerking, hetgeen heeft geleid tot een opzegging van werknemer per 1 juli 2025. Op 9 mei 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen A en werknemer, waarin werknemer op staande voet is ontslagen. Diezelfde dag heeft werknemer een e-mail ontvangen van A, waarin het ontslag op staande voet is bevestigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft werknemer (bij monde van zijn gemachtigde) betwist dat zich een dringende reden voordoet, dan wel dat zich meerdere dringende redenen voordoen, die als grondslag voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet kan/kunnen dienen. Verder heeft werknemer laten weten dat hij aanspraak maakt op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bij e-mail van 11 juni 2025 heeft A gereageerd en – kort samengevat – naar voren gebracht dat werknemer zich dusdanig schuldig heeft gemaakt aan ernstig en structureel verwijtbaar gedrag, dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer mogelijk is. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat het gegeven ontslag onrechtmatig is en diverse betalingen.
Oordeel
Uit de e-mail en de daarop tijdens de mondelinge behandeling door MOR gegeven toelichting volgt dat zij werknemer vooral het verwijt maakt dat hij zich niet aan de afspraken met betrekking tot werktijden en/of aanwezigheid op kantoor hield. De kantonrechter stelt vast dat – bij gebreke van een deugdelijke vastlegging van de gestelde afspraken – de meningen uiteenlopen over wat er precies is afgesproken ten aanzien van werktijden en thuiswerkdagen van werknemer. Wat hier verder ook van zij, niet in geschil is dat MOR op enig moment aan werknemer te kennen heeft gegeven dat het voor haar belangrijk was dat werknemer zijn gezicht vaker op kantoor zou laten zien. Verder staat vast dat zij hem bij e-mail van 8 mei 2025 nog heeft gewezen op de werktijden en de tijdstippen waarop hij aanwezig moest zijn op het werk. Dit heeft werknemer niet ontkend. Hoewel de kantonrechter de keuze van werknemer om op 8 mei 2025 toch eerder dan 17:30 uur naar huis te gaan onhandig vindt, acht zij dit op zichzelf bezien onvoldoende om over te gaan tot de zeer ernstige en vergaande maatregel van een ontslag op staande voet. Daartoe acht de kantonrechter onder meer redengevend dat MOR niet met documentatie heeft aangetoond dat zij werknemer in het verleden al eens een (officiële) waarschuwing heeft gegeven waarin hem – in niet mis te verstane bewoordingen – duidelijk werd gemaakt dat bij een volgende keer te laat komen en/of te vroeg naar huis vertrekken een zo ingrijpende maatregel als een ontslag op staande voet zou kunnen volgen. Werknemer hoefde er op 9 mei 2025 naar het oordeel van de kantonrechter dus ook niet op bedacht te zijn dat MOR hem op staande voet zou ontslaan vanwege een (gesteld) te laat komen en/of te vroeg vertrekken. In de gegeven omstandigheden lag een minder vergaande maatregel, zoals een (laatste) officiële waarschuwing, loonopschorting of een loonstop meer in de rede. Daar komt bovendien bij dat MOR bij de waardering van de ernst van dit verwijt in haar e-mail van 9 mei 2025 niet (kenbaar) heeft betrokken dat zij werknemer al eerder heeft gewaarschuwd en dat deze kennelijk niet wil luisteren zodat de maat vol is. De verzochte verklaring voor recht dat het op 9 mei 2025 door MOR aan werknemer gegeven ontslag op staande voet onrechtmatig is gegeven, kan dus worden toegewezen. Aan werknemer wordt de gefixeerde schadevergoeding (tot 1 juli 2025) toegekend. Ook worden aan werknemer de transitievergoeding en een billijke vergoeding toegekend. Die laatste omdat de kantonrechter tot de conclusie komt dat MOR zich heeft bediend van een gemanipuleerd stuk om een van haar stellingen te onderbouwen en dat neemt de kantonrechter MOR zeer kwalijk. Niet in de laatste plaats omdat de kantonrechter ervan uit mag gaan dat MOR, door een van haar relevante stellingen te onderbouwen met een gemanipuleerd stuk, niet anders dan de bedoeling kan hebben gehad de kantonrechter willens en wetens op het verkeerde been te zetten en werknemer in diskrediet te brengen. Dat acht de kantonrechter volstrekt onacceptabel en de kantonrechter acht het geraden om aan dit handelen gevolgen te verbinden. Ook wordt bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding de manier betrokken waarop werknemer is bejegend tijdens het ontslaggesprek op 9 mei 2025. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 11.000.
