Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 5 november 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:10065
Feiten
Werkneemster is op 1 juni 2024 in dienst getreden bij [verweerder] V.O.F. (hierna: werkgever) in de functie van horecamedewerkster voor 40 uur per week, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege zou eindigen op 31 mei 2025. Op de arbeidsovereenkomst is de Horeca-cao van toepassing. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werkgever uiterlijk één maand voor het einde van de overeenkomst schriftelijk moet aanzeggen of het contract wordt voortgezet. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2025 niet verlengd en heeft werkneemster niet schriftelijk aangezegd. Werkneemster stelt dat zij geen aanzegging heeft ontvangen en dat werkgever geen deugdelijke eindafrekening heeft verstrekt. Zij verzoekt daarom toekenning van de aanzegvergoeding, de transitievergoeding, uitbetaling van openstaande verlofuren, vergoeding van overuren en de proceskosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever heeft niet voldaan aan de wettelijke aanzegplicht, nu geen schriftelijke aanzegging is gedaan. De omstandigheid dat volgens werkgever mondeling duidelijk zou zijn gemaakt dat niet kon worden verlengd, doet daaraan niet af. De aanzegvergoeding van € 3.129,08 wordt volledig toegewezen. Het verweer dat werkneemster zelf ontslag zou hebben genomen wordt verworpen. Niet is gebleken van een vrijwillige beëindiging door werkneemster of van een concreet aanbod tot verlenging. De beëindiging moet daarom worden gezien als een beëindiging op initiatief van werkgever. De transitievergoeding van € 1.043,03 wordt toegewezen. Werkneemster heeft onderbouwd gesteld dat zij recht heeft op uitbetaling van 128 niet-genoten verlofuren. Werkgever heeft dit onvoldoende betwist en heeft geen verlofadministratie overgelegd. De vergoeding van € 2.167,60 wordt, inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente, toegewezen. Werkneemster heeft de gemaakte overuren onderbouwd, terwijl werkgever geen urenadministratie heeft overgelegd en zijn stelling dat compensatie in tijd plaatsvond niet heeft onderbouwd. De vordering van € 2.836,34 wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente.
