Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Stichting Pensioenfonds Vervoer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:21966
Transportactiviteiten wegen zwaarder dan groothandelsfunctie: toewijzing vordering € 761.000 aan achterstallige pensioenpremies en aansluiting werkgever bij Pensioenfonds Vervoer sinds 2017.

Feiten

Werkgever is volgens het handelsregister een onderneming die zich richt op groothandel in hooi, stro en ruwvoeders en op goederenvervoer over de weg. Het bedrijf heeft elf medewerkers, waarvan negen vrachtwagenchauffeurs, en beschikt over een NIWO-vergunning voor negen vrachtwagens. Op zijn website presenteert werkgever zich als een fouragebedrijf dat zich sinds 1999 bezighoudt met bodemstrooisels én transportwerkzaamheden, met nadruk op snelle service en korte levertijden. Pensioenfonds Vervoer is een bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg. Op grond van de Pensioenwet en de Wet Bpf 2000 is deelname aan dit fonds verplicht voor werknemers van ondernemingen die in hoofdzaak werkzaamheden in het wegvervoer verrichten. Het verplichtstellingsbesluit definieert een onderneming in het beroepsvervoer over de weg als een onderneming die uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden uitoefent die behoren tot het wegvervoer, dat wil zeggen: het tegen vergoeding vervoeren van goederen over de weg. Voor werkgevers die onder deze verplichtstelling vallen, geldt het uitvoeringsreglement van Pensioenfonds Vervoer. Daarin staat onder meer dat de werkgever zijn werknemers moet aanmelden bij het fonds en periodiek pensioenpremie moet afdragen. Op 3 januari 2023 heeft Pensioenfonds Vervoer aan werkgever laten weten dat het bedrijf met terugwerkende kracht per 25 april 2017 bij het fonds wordt aangesloten. Vanaf februari 2023 zijn ambtshalve premienota’s opgelegd. Werkgever heeft op 6 april 2023 bezwaar gemaakt. Hij stelt dat hij een handelsonderneming is die fourage inkoopt en verkoopt, waarbij het vervoer slechts onderdeel is van de verkoopprijs en niet apart in rekening wordt gebracht. Volgens werkgever vervult hij enkel een groothandelsfunctie, voor eigen rekening en risico. In conventie vordert werkgever onder meer een verklaring voor recht dat hij niet onder de verplichtstelling van Pensioenfonds Vervoer valt. In reconventie vordert Pensioenfonds Vervoer onder meer een verklaring voor recht dat werkgever vanaf 25 april 2017 onder de verplichtstelling valt. Daarnaast vordert het fonds betaling van achterstallige premies (circa € 761.000).

Oordeel

De rechter stelt vast dat werkgever goederen over de weg vervoert: hij haalt in het buitenland ingekochte fourage met vrachtwagens op en levert deze in Nederland af, en vervoert daarnaast andere goederen van Nederland naar het buitenland. Vast staat dat dit vervoer tegen vergoeding plaatsvindt, ook al zit de vervoerscomponent verdisconteerd in de verkoopprijs van de fourage en wordt die niet apart gefactureerd. Voor de werkingssfeer is beslissend dat er feitelijk voor vervoer wordt betaald; het maakt niet uit of werkgever als eigenaar van de goederen voor eigen rekening en risico vervoert of als ‘klassieke’ vervoerder in de zin van Boek 8 BW optreedt. Vervolgens beoordeelt de kantonrechter of werkgever deze vervoerswerkzaamheden ‘in hoofdzaak’ verricht. Daarbij geldt, nu geen percentage is genoemd in het besluit, als uitgangspunt dat meer dan 50% van de werkzaamheden tot het wegvervoer moet behoren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van onder meer arbeidsuren, loonsom, aantal werknemers, omzet en bedrijfsinrichting. Bij werkgever werken elf mensen, van wie negen chauffeurs en slechts twee kantoormedewerkers. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ligt voor de hand dat een belangrijk deel van de kantoorwerkzaamheden ondersteunend is aan het vervoer (planning, administratie). De rechter gaat er daarom van uit dat loonsom en arbeidsuren voor meer dan 50% zien op vervoer. Daarnaast acht de kantonrechter aannemelijk dat het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten van werkgever ligt bij het ophalen, vervoeren en afleveren van fourage en andere goederen. Daarop wijzen de bedrijfsnaam, de inschrijving met SBI-code voor wegvervoer, de website en het bezit van negen vrachtwagens met NIWO-vergunningen. De kantonrechter concludeert dat werkgever als geheel in hoofdzaak tegen vergoeding goederen over de weg vervoert en daarom onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. De vordering van werkgever in conventie wordt afgewezen. De door Pensioenfonds Vervoer gevraagde verklaring voor recht dat werkgever sinds 25 april 2017 onder de verplichtstelling valt, wordt toegewezen. Het verjaringsverweer van werkgever tegen de premievordering slaagt niet. De kantonrechter oordeelt dat Pensioenfonds Vervoer zijn vordering baseert op onrechtmatige daad wegens schending van de nalevingsplicht uit de Wet Bpf 2000, zodat de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW (vijf jaar na bekendheid met schade en dader) geldt. Die termijn is pas in januari 2023 gaan lopen, toen het fonds bekend werd met de situatie bij werkgever. De gevorderde achterstallige premies van € 761.393,09 worden als schadevergoeding toegewezen.

  • Rechters: O. van der Burg
  • Advocaten: G.R. Derksen, E. Lutjens en H.L. Doorn
  • Wetsartikelen: Wet Bpf 2000
  • Onderwerpen: Pensioen
  • Trefwoorden: beroepsvervoer, Pensioenfonds Vervoer, verplichtingstellingsbesluit, pensioenpremies, fourage, groothandelsfunctie, loonsom, omzet, arbeidsuren, bedrijfsinrichting, verjaringstermijn en in hoofdzaak