Naar boven ↑

Rechtspraak

Melis Logistics B.V./werkneemster
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 19 november 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:9862
Recht op terugbetaling van door werkgeefster betaalde kosten voor een door werkneemster gevolgde rijopleiding.

Feiten

Werkneemster  heeft een opleiding tot vrachtwagenchauffeur (rijopleiding C) gevolgd bij Melis Driving Academy. Na een succesvolle afronding van de opleiding is met werkneemster als zij-instromer met Melis Logistics B.V. (hierna: Melis) een baangarantie overeengekomen. Voor zowel de kosten van het theoretische gedeelte van die opleiding als de kosten van het praktijkgedeelte zijn partijen studiekostenbedingen overeengekomen, met daarin onder meer een gefaseerde terugbetalingsverplichting. Werkneemster heeft op 24 juli 2024 haar rijbewijs C gehaald en is op 1 september 2024 in dienst getreden bij Melis in de functie van chauffeur. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing (hierna: de cao), met daarin een bepaling over een studieovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is na opzegging door Melis op 27 september 2024 geëindigd. Melis vordert werkneemster te veroordelen tot betaling  van € 4.207,35, omdat werkneemster binnen één jaar na het afronden van de opleiding uit dienst is getreden. Op grond van de studieovereenkomst is zij gehouden 75% van de door Melis betaalde studiekosten aan Melis terug te betalen. In reconventie vordert werkneemster uitbetaling van 100 gewerkte overuren.

Oordeel

Tussen partijen staat vast dat zij ten aanzien van de door werkneemster bij Melis gevolgde rijopleiding studiekostenbedingen zijn overeengekomen voor zowel het theoretische gedeelte als het praktijkgedeelte van die opleiding. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de studiekostenbedingen rechtsgeldig konden worden overeengekomen. Het studiekostenbeding is niet specifiek geregeld in de wet. Door de rechtspraak (de arresten Muller/Van Opzeeland, HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 en HR 5 juni 1987, NJ 1987/795) zijn beperkingen gesteld aan een dergelijk beding. In de studieovereenkomsten die partijen hebben gesloten is de baatperiode bepaald op drie jaar na afronding van de studie. Dit in overeenstemming met wat in de cao op dit punt is bepaald. Ook is voldaan aan het vereiste van een glijdende schaal. De terugbetalingsregeling is in de schriftelijke overeenkomsten duidelijk uiteengezet en tussen partijen staat vast dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst ook mondeling aan werkneemster is uitgelegd dat zij, als zij binnen drie jaar uit dienst zou gaan, de opleidingskosten zou moeten terugbetalen. Werkneemster  stelt weliswaar dat dit alleen zo zou zijn als zij op eigen initiatief uit dienst zou gaan, maar dit strookt niet met de door haar ondertekende overeenkomsten, waarin staat dat zij gehouden is tot terugbetaling als zij na het afronden van de opleiding niet bij Melis in dienst treedt, dan wel indien de arbeidsovereenkomst binnen drie jaar na het einde van de opleiding op welke wijze dan ook eindigt of niet wordt voortgezet, tenzij het niet in dienst treden dan wel het einde of het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Melis. Dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat werkneemster op grond van de overeenkomst gehouden kan worden tot terugbetaling van opleidingskosten. Dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever maakt in dit geval niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de studiekosten terug te vorderen. Daarvoor moet op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is niet gebleken. De vordering in reconventie wordt afgewezen.