Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 14 november 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2391
Feiten
Werkneemster is werkzaam bij werkgeefster, een autopoetsbedrijf. In haar functie verrichte zij intern schoonmaakwerkzaamheden bij een opdrachtgever van werkgeefster. Op enig moment zijn deze werkzaamheden gestopt. Werkneemster is vervolgens een procedure bij de kantonrechter gestart waarbij zij heeft verzocht werkgeefster onder verbeurte van een dwangsom te veroordelen haar toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden. Bij beschikking van 26 mei 2021 heeft de kantonrechter werkneemster in het gelijk gesteld. Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat werkneemster in beginsel moet terugkeren in haar oude functie en dat alleen andere werkzaamheden mogen worden aangeboden als dat echt niet anders kan. Werkgeefster heeft vervolgens werkneemster andere werkzaamheden aangeboden, namelijk het schoonmaken van auto’s. Werkneemster heeft zich daarna opnieuw tot de kantonrechter gewend en uitbetaling van dwangsommen gevorderd. Werkgeefster is tegen het vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023 in hoger beroep gegaan. In onderhavige procedure moet het gerechtshof de vraag beantwoorden of werkgeefster dwangsommen heeft verbeurd en zo ja, of het totaal van de verbeurde dwangsommen € 5.000 bedraagt.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Volgens het hof staat voldoende vast dat werkneemster niet meer kon terugkeren in haar werkzaamheden bij de inlener. Werkgeefster heeft daarvoor een e-mail van de inlener van 8 juni 2021 in het geding gebracht waaruit blijkt dat de inlener werkneemster niet meer als schoonmaakster wilde hebben. Dat betekent dat werkgeefster werkneemster andere werkzaamheden mocht laten uitvoeren. Onder die omstandigheden waren de werkzaamheden die werkgeefster heeft aangeboden, namelijk het schoonmaken van auto’s, passend en had werkneemster die werkzaamheden moeten accepteren. Daarbij weegt mee dat werkgeefster een autopoetsbedrijf is en geen schoonmaakbedrijf. Dat betekent dat werkgeefster aan de veroordeling uit de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 26 mei 2021 heeft voldaan en dat zij dus geen dwangsommen heeft verbeurd.
