Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/OnderwijsPost B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17 oktober 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13296
Werkneemster heeft na het wegvallen van uitzendarbeid uitsluitend recht op het laatstverdiende feitelijk loon volgens de cao NBBU, waardoor haar op de cao Primair Onderwijs gebaseerde loonvorderingen falen.

Feiten

Werkneemster en OnderwijsPost hebben op 4 mei 2015 een detacheringsovereenkomst fase 4 voor onbepaalde tijd gesloten, waarop de cao NBBU van toepassing is. De overeenkomst kwalificeert als een uitzendovereenkomst en bepaalt onder meer dat bij wegvallen van uitzendarbeid het loon verschuldigd blijft. De cao NBBU bepaalt dat het feitelijk loon het actuele brutoloon is, exclusief vakantiebijslag en toeslagen en dat afwijking slechts is toegestaan wanneer dit in het voordeel van de uitzendkracht is. Verder volgt uit de cao dat bij het wegvallen van de uitzendarbeid het laatstverdiende feitelijk loon moet worden doorbetaald zolang de uitzendkracht niet is herplaatst en dat bij arbeidsongeschiktheid 90% loon wordt betaald gedurende het eerste jaar en 80% gedurende het tweede jaar. Werkneemster werd vanaf 27 augustus 2021 tot 8 juli 2022 ter beschikking gesteld als groepsleerkracht. Zij raakte op 8 december 2021 arbeidsongeschikt en bleef dat. Na een loonsanctie moest OnderwijsPost loon doorbetalen tot 15 augustus 2024.

Werkneemster stelt dat zij op basis van de inschaling in de uitzendbevestiging en de cao Primair Onderwijs (hierna: cao PO) recht had op hogere loonbedragen, op een eenmalige uitkering en op een eindejaarsuitkering. Omdat zij vanaf september 2023 niet volgens de cao PO is betaald en loon niet steeds tijdig is voldaan, vordert zij achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, vakantiegeld, incassokosten en proceskosten. OnderwijsPost voert daartegen aan dat uitsluitend de cao NBBU geldt en dat werkneemster sinds het wegvallen van de uitzendarbeid geen aanspraak meer heeft op bepalingen uit de cao PO. Zij stelt dat zij ten onrechte 90% loon heeft betaald gedurende het tweede ziektejaar, terwijl dit 80% had moeten zijn en dat zij dit te veel betaalde bedrag met instemming van de gemachtigde van werkneemster heeft verrekend. Verder heeft zij volgens eigen berekening ook te veel betaald door het hanteren van PO-loon in een periode waarin dat niet verschuldigd was, maar daarvoor is geen tegenvordering ingesteld.

Oordeel

De kantonrechter stelt voorop dat op de detacheringsovereenkomst de cao NBBU van toepassing is en dat werkneemster vanaf het wegvallen van de uitzendarbeid uitsluitend aanspraak had op haar laatstverdiende feitelijk loon zoals bedoeld in artikel 22 lid 8 van die cao. Omdat zij niet is herplaatst en arbeidsongeschikt bleef, had zij recht op 90%, vervolgens 80% en daarna 70% van dit loon. Het laatstverdiende feitelijk loon bedroeg € 4.573 bruto per maand. Dat betekent dat de aanspraken die werkneemster baseert op de cao PO niet kunnen slagen. De door OnderwijsPost verrichte verrekening van het te veel betaalde bedrag van € 5.142,87 is rechtsgeldig, omdat het percentage voor het tweede ziektejaar duidelijk uit de cao NBBU volgt en werkneemster hiermee bovendien via haar gemachtigde heeft ingestemd. De vorderingen die zien op te weinig uitbetaald loon in de periode december 2023 tot en met april 2024 worden daarom afgewezen. De verrekening van een gestelde vordering van ruim € 11.000 wordt niet toegestaan omdat geen tegenvordering is ingesteld en de vordering wordt betwist.

Vast staat dat het loon over september en november 2023 te laat is betaald. Daarom is wettelijke verhoging verschuldigd. De aanspraken op een eenmalige uitkering en op een eindejaarsuitkering worden afgewezen omdat deze zijn gebaseerd op de niet-toepasselijke cao PO. Ook de vordering ter zake van vakantiebijslag wordt afgewezen omdat het begrip “feitelijk loon” in artikel 2 cao NBBU vakantiebijslag uitsluit en niet kan worden vastgesteld dat partijen hiervan in het voordeel van de uitzendkracht wilden afwijken.