Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 14 november 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13247
Ontbinding wordt afgewezen omdat onvoldoende duidelijk is geworden dat, waarom en hoe uit de stukken volgt dat het vervallen van de functie van werknemer noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.

Feiten

Werknemer is sinds 2013 bij werkgeefster in dienst en vanaf maart 2024 in de functie van consultant commercial vehicle Business Center of European Auto Sales Division. Werkgeefster is een onderneming die zich richt op de verkoop van elektrische voertuigen. Volgens haar heeft in de afgelopen jaren een verschuiving plaatsgevonden in de focus van commerciële voertuigen (bussen en vrachtwagens) naar particuliere voertuigen (personenauto’s) en is vanwege deze verschuiving de functie van werknemer, die actief is binnen de commerciële vervoersmiddelentak, komen te vervallen.
Werkgeefster heeft het UWV toestemming gevraagd voor het ontslag van werknemer. Die aanvraag is afgewezen. Bij beslissing van 17 april 2025 heeft het UWV overwogen dat “van het hele proces dat is doorlopen — vanaf 2021 tot aan deze ontslagaanvraag — geen enkel document is verstrekt”. Omdat werkgeefster het niet eens is met deze beslissing heeft zij dit verzoek tot ontbinding ingediend. Werknemer heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat de commerciële voertuigentak nog steeds groeit, er wordt geïnnoveerd, in 2024 een nieuwe lijn commerciële voertuigen voor Europa is gepresenteerd, in juni 2025 meer dan 90 miljoen is geïnvesteerd in productiecapaciteit en dat nieuwe raam- en leaseovereenkomsten zijn aangegaan. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond en subsidiair op de g-, h- en i-grond. Zij stelt dat er sprake is van een strategiewijziging als gevolg waarvan de unieke arbeidsplaats van werknemer is komen te vervallen. Ter onderbouwing heeft zij stukken overgelegd die zij ‘officiële interne communicatie over transitie 2018-2025’ noemt. Werknemer betwist dit. Hij voert aan dat werkgeefster onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn functie noodzakelijkerwijs moet vervallen en wijst erop dat werkgeefster zelf een ‘lege huls’ heeft gecreëerd door steeds meer taken weg te nemen. Werknemer heeft daarnaast een zelfstandig tegenverzoek ingediend. Hij stelt dat werkgeefster de waarheidsplicht heeft geschonden, een valse ontslaggrond heeft aangewend, in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde en misbruik heeft gemaakt van het procesrecht.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de strategiewijziging heeft plaatsgevonden, dat die nodig was voor een doelmatige bedrijfsvoering en dat daardoor noodzakelijkerwijs de functie van werknemer is komen te vervallen. Onduidelijk is gebleven waarom de wijziging van focus en strategie uitsluitend tot gevolg zou hebben dat de functie van werknemer verdwijnt. De feitelijke invulling van de functie kan, gelet op het verweer van werknemer, geen bijdrage leveren aan de onderbouwing dat de functie noodzakelijkerwijs komt te vervallen. Daarmee is niet geconcretiseerd dat een redelijke grond bestaat als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Ook de onderbouwing van de g-, h- en i-grond is zodanig mager dat werkgeefster niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Deze gronden kunnen evenmin tot toewijzing leiden.

Zelfstandig tegenverzoek

Het betoog van werknemer wordt niet gedeeld. De lat voor het toewijzen van volledige proceskosten ligt hoog. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen, omdat niet evident is dat sprake is van het starten van een kansloze procedure. Of werkgeefster feiten heeft verdraaid of verzwegen is niet te beoordelen. Het is niet aan de kantonrechter om via links in noten uit onderliggende stukken te halen wat relevant zou kunnen zijn. Er kan niet worden vastgesteld dat werkgeefster de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Het verzoek wordt afgewezen.