Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11 november 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:7085
Werkneemster heeft onvoldoende onderbouwd waarom werkgeefster op grond van fiscale wet- en regelgeving een correctieaangifte moet doen bij de Belastingdienst in verband met de vaststelling van dagloon voor uitkeringen. Het had op de weg van werkneemster gelegen om bezwaar te maken bij het UWV.

Feiten

Werkneemster is van 11 juni 2020 tot en met 10 december 2020 in dienst geweest van werkgeefster. Zij heeft bij de oorspronkelijke eindafrekening niet alle bedragen uitbetaald gekregen waar zij nog recht op had. Die bedragen zijn pas in 2021 bij wijze van nabetaling aan werkneemster voldaan. Werkneemster meent dat de nabetaalde bedragen niet zijn meegenomen bij de berekening van het dagloon van haar Ziektewet- en IVA-uitkering en dat zij daardoor inkomsten misloopt. Om te komen tot aanpassing van dit dagloon, moet werkgeefster volgens haar een correctieaangifte doen ten aanzien van deze nabetaling. Werkneemster heeft werkgeefster meerdere malen gesommeerd daartoe over te gaan. Omdat werkgeefster daar geen gehoor aan heeft gegeven, is werkneemster een procedure bij de kantonrechter begonnen waarin zij heeft gevorderd werkgeefster te veroordelen tot het doen van de benodigde correctieaangifte op straffe van verbeurte van een dwangsom. Werkgeefster heeft in deze procedure geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter heeft daarom de vorderingen van werkneemster toegewezen, maar de gevorderde dwangsom gematigd tot € 50 per dag, met een maximum van € 5.000. Omdat werkneemster het niet eens is met deze matiging, is zij in hoger beroep gegaan. Ook werkgeefster heeft hoger beroep ingesteld, omdat zij het niet eens is met het vonnis van de kantonrechter.

Oordeel

Het hof oordeelt dat de vordering om werkgeefster te gebieden een correctieaangifte te doen niet toewijsbaar is. Het hof licht dit als volgt toe. Uit de door werkneemster overgelegde salarisspecificatie blijkt dat de nabetaling die in 2021 is gedaan zag op een vergoeding van meeruren/vrije dagen, een uitbetaling van de eindejaarsreservering en de vakantiegeldreservering. Omdat de nabetaling is gedaan in 2021, heeft werkgeefster deze in 2021 meegenomen in haar loonaangifte. Dat is in lijn met fiscale wet- en regelgeving. Willen de looncomponenten niettemin kunnen worden toegerekend aan 2020, dan kan dat alleen als de looncomponenten in 2020 vorderbaar én inbaar waren (art. 13a Wet LB). Een vordering is in de context van fiscale wetgeving – kort gezegd – inbaar als aannemelijk is dat de werkgever zonder verwijl zou betalen als de werknemer daarom verzoekt. Werkneemster moet stellen en voldoende onderbouwen dat hiervan sprake is. Dat heeft zij niet gedaan. Daar komt bij dat de betrokken belastinginspecteur in maart 2024 heeft geoordeeld dat “hem of haar geen feiten en omstandigheden bekend zijn die erop wijzen dat het huidige genietingsmoment, dat op basis van het tijdstip van betalen in de maand januari 2021 ligt, niet juist zou zijn”. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat werkneemster haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te kunnen nemen dat het voor werkgeefster op grond van fiscale wet- en regelgeving mogelijk én toegestaan is om haar loonaangifte te corrigeren. Ten overvloede merkt het hof daarbij nog op dat op basis van de door werkneemster aangeleverde stukken ook niet op voorhand kan worden aangenomen dat het UWV het dagloon onjuist heeft vastgesteld en werkneemster inderdaad schade lijdt. Daarvoor is van belang dat het UWV bij de vaststelling van het dagloon ook het opgebouwde vakantiegeld en de eindejaarsuitkering meeneemt. Niet-uitbetaalde meeruren/vrije dagen kunnen ook worden meegenomen als de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar, maar niet inbaar is. Hiervoor is voldoende dat de werknemer aantoont dat hij in de referteperiode betaling van deze uren heeft geëist. Als werkneemster meent dat het UWV haar dagloon onjuist heeft vastgesteld had het dus op haar weg gelegen om formeel bezwaar te maken. De conclusie is dat het hoger beroep van werkneemster niet slaagt en dat van werkgeefster wel.