Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18 juni 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:6609
Feiten
Werknemer is sinds 19 april 1999 in dienst bij Drechterland, een tandartspraktijk, als mondhygiënist. Aanvankelijk bedroeg de duur van de arbeidsovereenkomst van werknemer 14 uur per week. Drechterland heeft, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met werknemer tegen 30 mei 2021 opgezegd onder aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 8 uur per week en uitbetaling van de (partiële) transitievergoeding. Vervolgens is werknemer een procedure tegen Drechterland begonnen met als inzet een hogere transitievergoeding en de vaststelling dat het door hem in 2019 verdiende variabele loon ook zijn vaste loon zou worden. Zijn vorderingen zijn zowel door de rechtbank als door het Hof Amsterdam afgewezen. Op 28 mei 2021 heeft werknemer zich ziek gemeld en sindsdien heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. Op 8 maart 2023 heeft werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen. In de beslissing van het UWV van 14 juli 2023 staat dat ‘uit het oordeel van onze arts blijkt dat werknemer per eerste WIA-dag niet ziek is en dus ook niet arbeidsongeschikt is’. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het UWV heeft op 20 november 2024 beslist op het bezwaar van werknemer en geoordeeld dat Drechterland niet voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van werknemer, maar ook dat er geen loonsanctie opgelegd kan worden omdat het einde van de wachttijd is bereikt. Werknemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en het UWV heeft op 18 februari 2025 een gewijzigde beslissing op het bezwaar genomen. Daarin staat dat werknemer per 2 juni 2023 geschikt is voor maatgevende arbeid en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het oordeel dat Drechterland onvoldoende heeft gedaan aan re-integratie blijft in stand. Drechterland verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen dan wel andere omstandigheden die maken dat van de werkgever niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Drechterland heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat werknemer, na 14 juli 2023, de dag dat het UWV heeft geoordeeld dat hij niet arbeidsongeschikt is, hardnekkig heeft geweigerd zijn werkzaamheden te hervatten. Dat is ernstig verwijtbaar en maakt dat er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden, zonder toekenning van een transitievergoeding. Daarnaast is de arbeidsovereenkomst inhoudsloos geworden – werknemer verricht geen werkzaamheden meer en Drechterland is, na het verstrijken van de twee jaarstermijn, niet meer gehouden het loon door te betalen. Ook dat vormt een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Oordeel
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat er inderdaad moet worden uitgegaan van ziekte of gebrek bij werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van de rapportages van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts worden vastgesteld dat er bij werknemer wel sprake was van ziekte of gebrek. Anders dan Drechterland stelt, betekent de vaststelling in de medische rapportage van de verzekeringsarts dat er ‘geen marginale belastbaarheid is’, niet dat werknemer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden. Het voorgaande betekent dat het feit dat er geen uitvoering wordt gegeven aan de arbeidsovereenkomst niet aan werknemer verweten kan worden, hij is immers arbeidsongeschikt. De conclusie is dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van werknemer; ook leveren bovenstaande feiten geen h-grond op.
