Naar boven ↑

Rechtspraak

DSV Road Holding N.V. c.s./werknemer c.s.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29 juli 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2098
Eenzijdige wijziging pensioenregeling. Het is voor werkgever niet mogelijk met terugwerkende kracht een middelloonregeling voor werknemers af te sluiten die qua aanspraken aansluit op toen geldende pensioenregeling. Vervolgopdracht aan deskundige: per werknemer bepalen op welke wijze compensatie mogelijk is.

Feiten

Vijf werknemers zijn in dienst geweest van Furness Logistics B.V. (hierna: Furness). In 2000 is Furness overgenomen door bedrijf X. In 2006 heeft een fusie plaatsgevonden, waardoor werknemers in dienst zijn gekomen bij DSV Road Holding N.V. en DSV Solutions Nederland B.V. (hierna: DSV). De werknemers waren deelnemer in de Stichting Furness Pensioenfonds III (hierna: Furness III). Bedrijf X heeft ernaar gestreefd de verschillende pensioenregelingen te harmoniseren, maar voor werknemers die deelnamen aan Furness III werd een uitzondering gemaakt. Zij kregen een nieuwe, maar wel identieke pensioenregeling, de FM II pensioenregeling. De pensioenregeling van FM II kwalificeert als een uitkeringsovereenkomst op eindloonbasis. Ten tijde van de fusie in 2006 bleef deze pensioenregeling ongewijzigd. De Nationale-Nederlanden Levensverzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: NN) heeft op 30 juni 2017 de uitvoeringsovereenkomst per 1 januari 2018 opgezegd. DSV heeft aan de werknemers voorgesteld om te kiezen tussen twee pensioenregelingen: (i) een hybride pensioenregeling bestaande uit een middelloonregeling tot een bepaald salaris en voor het daarboven geldende salaris een beschikbare premieregeling of (ii) een volledige beschikbare premieregeling. De werknemers hebben geweigerd een keuze te maken tussen deze pensioenregelingen, omdat zij wilden vasthouden aan de eindloonregeling. DSV heeft de werknemers uiteindelijk aangemeld voor de volledige beschikbare premieregeling. Volgens de werknemers was DSV niet gerechtigd om tot wijziging van de pensioenregeling over te gaan zonder instemming van de werknemers. De werknemers verzoeken DSV te veroordelen tot voortzetting van de aan de werknemers gedane pensioentoezegging in de vorm van een uitkeringsovereenkomst op eindloonbasis en de werknemers in dezelfde positie te brengen waarin zij zouden hebben verkeerd indien de pensioentoezegging na 1 januari 2018 correct zou zijn nagekomen. In hoger beroep hebben de werknemers aanvullend verzocht hen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 onder te brengen in een pensioenregeling die qua niveau en aanspraken zo veel mogelijk gelijk is aan de eindloonregeling die zij hadden. Het hof heeft bij tussenbeschikking bepaald dat DSV niet heeft mogen overgaan tot het eenzijdig wijzigen van de pensioenregeling.  Volgens het hof is de feitelijke onmogelijkheid om de eindloonregeling nog te laten uitvoeren een zodanig zwaarwichtig belang dat DSV daarin voldoende reden en aanleiding had om een wijziging na te streven van de pensioenovereenkomst; DSV heeft echter onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de werknemers. Werknemers zijn in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren voor de stelling dat er geen uitvoerders meer zijn die een eindloonregeling invoeren. Bij tussenbeschikking is een deskundige benoemd en is een vraagstelling geformuleerd.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat uit de antwoorden van de deskundige moet worden afgeleid dat het destijds, bij de wijziging van de pensioenregeling, voor DSV mogelijk moet zijn geweest om een middelloonregeling voor de werknemers af te sluiten die qua niveau en aanspraken kon aansluiten op de toen geldende FM II regeling, maar dat het nu niet meer mogelijk is om dat alsnog met terugwerkende kracht tot stand te brengen. Dit betekent dat het hof toekomt aan de meer subsidiaire vorderingen van werknemers om DSV te veroordelen tot betaling van een koopsom aan een pensioenuitvoerder bij wijze van schadevergoeding, dan wel een door het hof te bepalen bedrag aan koopsom of schadeverghoeding. Het hof is voornemens een vervolgopdracht aan de deskundige te verstrekken om voor iedere individuele werknemer nader te bepalen op welke wijze compensatie mogelijk is.

Het hof is voornemens daartoe de volgende vragen te stellen, die voor iedere individuele werknemer moeten worden beantwoord:
(1) Is het mogelijk om door middel van een koopsom (die DSV zal moeten betalen) aan een verzekeraar (en, zo ja, welke zou dat naar uw oordeel moeten zijn?) het nadeel te compenseren? Met het nadeel bedoelt het hof het verschil tussen de FM II pensioenregeling en de beschikbare premieregeling waaraan de werknemers per 1 januari 2018 deelnemen.
(2) Zo ja, wat is de hoogte van die koopsom?
(3) Wanneer het antwoord op vraag 1 is dat daarmee niet, of niet ten volle, het nadeel kan worden gecompenseerd, met welk bedrag aan (aanvullende) schadevergoeding (in bruto loon of anderszins) kan dan het nadeel wel worden gecompenseerd?
(4) Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

Partijen krijgen de gelegenheid om suggesties te doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.