Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 5 november 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:6417
Feiten
Labmicta verricht in haar laboratorium medisch diagnostisch onderzoek ten behoeve van de gezondheidszorg. Werknemer is op 1 oktober 2022 in dienst getreden bij Labmicta als medisch moleculair microbioloog. Labmicta voert diagnostiek uit voor Diagnostiek voor U (DvU), waarvoor werknemer en X één dag per twee weken ter beschikking zijn gesteld. In juli 2024 is Labmicta door DvU gevraagd om haar te laten werken aan een nieuwe NGS-test. De test was al ontwikkeld door bedrijf Y. De medische validatie moest plaatsvinden door een arts-microbioloog en de technische validatie door een medisch moleculair microbioloog. Werknemer en X zijn in juli 2024 begonnen aan het project. Binnen Labmicta wordt gewerkt volgens de ISO-norm. Op 8 april 2025 werd vernomen dat de test al als enige diagnostische methode werd gebruikt. Op 10 april 2025 is aan de stuurgroep kwaliteit van Labmicta de opdracht gegeven om te onderzoeken waar de opzet van de validatie en de resultaten van de NGS-test niet aan voldoen. De stuurgroep concludeerde dat de validatie onvoldoende was, er meerdere vals-positieve uitslagen waren en patiëntrisico’s onvoldoende in kaart waren gebracht. Op 23 april 2025 heeft bestuurder A aan werknemer en X de instructie gestuurd om slechts werkzaamheden te verrichten binnen de gestelde kaders, behoudens expliciete toestemming van Labmicta. Op 12 juni 2025 vond een gesprek plaats tussen B (directeur bedrijfsvoering) en werknemer. Hij gaf aan het besluit tot staken van de diagnostiek te respecteren maar er niet achter te staan. B vond het zorgwekkend dat werknemer zich kennelijk geen zorgen maakt over de patiëntveiligheid, die in gevaar is gebracht. Op 13 juni 2025 heeft DvU een GAP-analyse laten verrichten. Het bleek dat essentiële onderdelen van de validatie niet of niet volledig zijn uitgevoerd. De conclusie was dat de test niet kon worden toegepast in de patiëntendiagnostiek. In een overleg op 17 juni 2025 kwamen Labmicta en DvU tot de conclusie dat de samenwerking in de huidige vorm niet houdbaar is en dat alles rondom de NGS-test gestaakt wordt. In juni werd duidelijk dat DvU de door haar geleden schade, die oploopt tot 1,5 miljoen euro, op Labmicta wil verhalen. Op 20 juni 2025 is nogmaals gesproken met werknemer over zijn handelen, de klachten en financiële gevolgen, maar net als voorheen voelde hij zich niet verantwoordelijk en weigerde hij te reflecteren op zijn handelen. Daarop heeft Labmicta laten weten te streven naar het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.
Oordeel
E-grond
Labmicta verwijt het werknemer dat hij de medische staf geen toestemming heeft gevraagd voor het live gaan met de test. Alvorens tot een verwijt te kunnen komen moet het voor werknemer duidelijk zijn wat voor werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd. Van belang hierbij is dat Labmicta onvoldoende duidelijke regels of richtlijnen heeft overgelegd waaruit volgt wat Labmicta van een werknemer in geval van een validatieopdracht precies verwacht. Volgens Labmicta moest werknemer de proof-of-conceptmethode volgen, terwijl werknemer ter zitting het standpunt inneemt dat nooit via die methode werd gewerkt. Ter zitting is ook gebleken dat dit de eerste validatieopdracht van Labmicta was. Werknemer heeft ter zitting erkend op de hoogte te zijn van het formele besluitvormingsproces bij Labmicta, waaronder dat de beslissingen over de validatie en starten met live gaan via een voorlegger aan het MT/de medische staf hadden moeten worden voorgelegd. Hij erkent ook dat dat niet is gebeurd. Werknemer heeft daar geen gerechtvaardigde verklaring voor. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet doen hem kan worden verweten. Dit alleen levert echter onvoldoende grond op voor ontbinding. De kantonrechter weegt hierbij mee dat Labmicta ervan op de hoogte was dat de test live ging zonder dat hiervoor toestemming was gevraagd en geen signaal heeft afgegeven dat dit niet was toegestaan.
G-grond
Naar het oordeel van de kantonrechter is de verstandhouding tussen partijen verstoord geraakt toen er vanaf april-mei een inhoudelijke discussie ontstond over de tekortkomingen van de ontwikkelde test. Labmicta was kritisch over het product, terwijl werknemer en zijn collega vonden dat het voldeed. In de verhouding tussen werkgever en werknemer had het op de weg van werknemer gelegen om zich open te stellen voor de kritiek van werkgever en om zich in te spannen mee te werken aan verbetering, nu aantoonbaar foute testresultaten waren binnengekomen en het Labmicta is die de verantwoordelijkheid draagt, als werkgever, voor het werk van werknemer en als partner van DvU en bedrijf Y. Daarbij komt dat niet alleen de goede naam van werkgever in het geding was maar ook investeringen. Werknemer heeft ter zitting erkend dat hij in april 2025 herhaaldelijk door A per e-mail is benaderd voor advies over en toelichting op de techniek en het validatieproces, en dat hij op geen van de berichten heeft gereageerd. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer hier onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen, wat hem kan worden verweten en waardoor de arbeidsrelatie is verstoord. Hierbij weegt ook mee dat werknemer ondanks de instructie van Labmicta om slechts werkzaamheden te verrichten binnen de gestelde kaders, op 20 mei 2025 in retrospectief het Addendum Validatierapport voor akkoord heeft getekend. De kantonrechter is van oordeel dat van werknemer, het bestuur en de bij de validatie betrokkenen (medische staf) verwacht had mogen worden dat zij in een open gesprek hun ervaringen betreffende de (eerste) validatieopdracht zouden bespreken en over en weer hun ervaren ongemak op tafel zouden leggen. Dat zij over en weer hun verwachtingen betreffende de uitvoering van de validatie zouden uitspreken en zouden bespreken hoe het kan dat deze verwachtingen zo van elkaar verschillen. Een dergelijk gesprek heeft echter niet plaatsgevonden. Tot een voldragen g-grond kan dan niet worden gekomen.
I-grond
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een combinatie van omstandigheden genoemd in het verwijtbaar handelen en de verstoorde verstandhouding die zodanig is dat van Labmicta in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren. Gezien de verhoudingen is herplaatsing niet aan de orde. Het verzoek van werknemer om Labmicta te veroordelen een transitievergoeding te betalen, zal worden toegewezen. De kantonrechter is voornemens om de helft van de aan werknemer toekomende transitievergoeding als extra vergoeding toe te kennen. Werknemer heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding, maar gezien bovenstaande conclusie kan daar geen sprake van zijn.
