Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/B.M.N. B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 13 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6107
Werkgeefster wordt bij verstek veroordeeld het achterstallig loon van werknemer te betalen omdat zij niet ter zitting is verschenen.

Feiten

Werknemer heeft voor B.M.N. B.V. (hierna: BMN) gewerkt als schoonmaker over de periode van 22 september 2024 tot en met augustus 2025. Werknemer stelt dat hij niet zijn volledige loon heeft ontvangen, hoewel hij hier herhaaldelijk om heeft gevraagd. In onderhavige procedure verzoekt werknemer dan ook om betaling van achterstallig loon, opgebouwde vakantiedagen, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. BMN heeft zich wel in de procedure gemeld, maar is desondanks niet op zitting verschenen.

Oordeel

De kantonrechter verleent verstek aan BMN omdat zij niet op zitting is verschenen. Omdat er geen verweer is gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van werknemer, tenzij de vorderingen hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De kantonrechter gaat voor het toe te wijzen bedrag aan achterstallig loon in beginsel uit van een bedrag van € 21.927 bruto waarop een bedrag van € 6.571 netto in mindering strekt. De kantonrechter heeft enkele tegenstrijdigheden in de dagvaarding van werknemer geconstateerd. Het loon dat in het petitum wordt genoemd (€ 20.822 bruto) komt namelijk niet overeen met de toelichting die in de dagvaarding onder punt 26 is gegeven (€ 15.266 bruto). In die toelichting wordt een totaalbedrag aan achterstallig loon genoemd van € 15.266 bruto. Uit de punten 6, 7 en 20 van de dagvaarding blijkt alleen dat ook die berekening niet juist is, omdat daarbij bruto- en nettobedragen door elkaar zijn gebruikt. BMN zal moeten berekenen aan de hand van een bedrag van € 21.927,00 bruto waarop een bedrag van € 6.571,00 netto in mindering strekt (en daarvan bruto/nettospecificaties moeten overleggen), wat het brutobedrag is waar werknemer nog recht op heeft. Verder moet BMN de wettelijke rente en de wettelijke verhoging betalen. Daarnaast moet BMN de niet-genoten vakantiedagen betalen. Op grond van artikel 28 van de Cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf betreft dit 10% over ieder gewerkt uur. Over het totaalbedrag aan brutoloon dat werkgeefster aan achterstallig loon moet betalen, moet daarom nog 10% worden gerekend voor de opgebouwde vakantiedagen. De kantonrechter stelt voorts vast dat in de toelichting van de dagvaarding ook een bedrag aan vakantietoeslag wordt genoemd waarop werknemer recht zou hebben. Deze vordering ontbreekt in het petitum van de dagvaarding, wat betekent dat de kantonrechter dit bedrag niet kan toewijzen. Om een eventuele volgende procedure te voorkomen doet BMN er volgens de kantonrechter wel verstandig aan de vakantietoeslag vrijwillig te betalen. Tot slot wordt BMN veroordeeld de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten te betalen.