Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 6 juli 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:6436
Feiten
Werknemer was van 1 april 2019 tot 1 januari 2023 bij Normec Inrush B.V. (hierna: ‘Inrush’) in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van docent voor opleidingen in het veilig werken met elektriciteit. In de arbeidsovereenkomst is in artikel 18 een concurrentiebeding overeengekomen. Werknemer heeft op 28 oktober 2022 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2023. Vervolgens is tussen partijen gesproken over voortzetting van de werkzaamheden van werknemer voor Inrush als zelfstandige. Partijen hebben op 10 januari 2023 hiertoe een overeenkomst van opdracht ondertekend. Artikel 1 van de overeenkomst van opdracht luidt als volgt: “Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten: het geven van veiligheidstrainingen op het gebied van elektrotechniek, zowel in de hoog- als in de laagspanning. (…). In artikel 3.3 van de overeenkomst van opdracht is opgenomen: “Opdrachtgever verklaart zich er uitdrukkelijk mee akkoord dat Opdrachtnemer ook ten behoeve van andere opdrachtgevers werkzaamheden verricht. (…)”. Bij brief van 20 maart 2022 heeft Inrush aan werknemer geschreven dat zij ermee bekend is geworden dat hij in dienst is getreden bij Fedu Opleidingen BV (hierna: ‘Fedu’) als operationeel directeur en opleider. Inrush is van mening dat werknemer hiermee het concurrentiebeding overtreedt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter overweegt dat het hier gaat om uitleg van artikel 3.3 van de overeenkomst van opdracht. Uit de tekst van dat artikel, in samenhang met artikel 1 van de overeenkomst, volgt dat werknemer als opdrachtnemer veiligheidscursussen geeft in opdracht van Inrush en dat het hem daarnaast is toegestaan ook voor andere opdrachtgevers “werkzaamheden te verrichten”. Voor zover daarbij zou zijn bedoeld dat deze werkzaamheden geen betrekking mogen hebben op de “veiligheidstrainingen op het gebied van elektrotechniek”, zoals omschreven in artikel 1, had het op de weg van Inrush gelegen om dit in de overeenkomst nader te preciseren. Hiervan is niet gebleken. Ook een andere bedoeling, die zou moeten blijken uit gesprekken die Inrush en werknemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben gevoerd, is vooralsnog niet aannemelijk geworden. Partijen hebben ieder een andere lezing over hetgeen toen is besproken. Dat vergt nader onderzoek naar de feiten, maar daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter volgt uit de bewoordingen van artikel 3.3 in verband met artikel 1 van de overeenkomst van opdracht dat het werknemer is toegestaan om ook voor andere opdrachtgevers veiligheidstrainingen op het gebied van hoog- en laagspanning te verzorgen. En dit betekent dat het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst in feite inhoudsloos is geworden. Inrush heeft, met de overeenkomst van opdracht, feitelijk toegestaan dat werknemer vergelijkbare werkzaamheden verricht voor derden, en daardoor komt haar geen beroep meer toe op het concurrentiebeding.
