Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 15 oktober 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:4565
Feiten
Verzoeker is medeoprichter van werkgever, een onderneming die zich bezighoudt met de advisering en ondersteuning op het gebied van informatietechnologie. Al sinds de oprichting in 2007 voert verzoeker (directie)werkzaamheden uit voor werkgever. Bedrijf A is de personal holding van verzoeker. Bedrijf A is voor 50% aandeelhouder van bedrijf B. Bedrijf B was tot 21 december 2021 100% aandeelhouder van werkgever. Bij overeenkomst van 21 december 2021 verkocht bedrijf B 80% van zijn aandelen in werkgever aan bedrijf C. In de aandeelhoudersovereenkomst c.q. bestuursovereenkomst tussen werkgever en de aandeelhouders, te weten uit bedrijf B en bedrijf C, staat een aantal bepaling met betrekking tot de opdracht, beschikbaarheid, vergoeding en onkosten, non-concurrentie, bijzondere verplichtingen ten behoeve van de opdrachtgever, duur en beëindiging van de overeenkomst. Op 13 mei 2025 vond een vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van werkgever plaats. In deze AvA vond een stemming plaats over het ontslag van bedrijf A als bestuurder van werkgever. Uit de besluittekst volgt dat met een meerderheid van 80% werd besloten om bedrijf A te ontslaan als statutair bestuurder en de managementovereenkomst met bedrijf A te beëindigen per de datum van het besluit en subsidiair het dienstverband met verzoeker op te zeggen. Verzoeker verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd). Werkgever verzet zich hiertegen en verzoekt – voor het geval er sprake is van een arbeidsovereenkomst – om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Oordeel
Inhoudelijk oordeelt de kantonrechter dat verzoeker onvoldoende onderbouwt dat er ooit een arbeidsovereenkomst ontstond tussen verzoeker en werkgever. De kantonrechter komt tot dat oordeel om twee redenen, namelijk (1) verzoeker onderbouwt onvoldoende dat hij al vanaf de oprichting onder het gezag van werkgever viel en (2) de rechtsverhouding kwalificeert na 21 december 2021 niet als arbeidsovereenkomst. Dit wordt als volgt toegelicht. De kantonrechter vindt dat verzoeker onvoldoende onderbouwt dat hij al sinds de oprichting in 2007 ‘in dienst’ was bij werkgever. Dat verzoeker werkzaamheden verrichtte, staat vast, maar uit niets blijkt dat hij als medeoprichter en houder van de helft van de aandelen onder het gezag van werkgever viel. Dit lijkt verzoeker zelf te onderkennen. Weliswaar stelt verzoeker dat hij al vanaf de oprichting in dienst was van werkgever, maar tegelijkertijd stelt hij dat er een nieuwe situatie ontstond na de verkoop van de aandelen aan bedrijf C. De kantonrechter moet daarom onderzoeken of op enig moment na 21 december 2021 een situatie ontstond die kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad valt de vraag hoe een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd uiteen in twee fases. De kantonrechter stelt vast dat niet alle hiervoor beschreven rechten en plichten duiden op het bestaan van een bepaald soort overeenkomst. Een aantal rechten en plichten wijst in de richting van het bestaan een arbeidsovereenkomst, een aantal andere wijzen juist in de richting van het bestaan van een overeenkomst van opdracht. Het komt daarom aan op een alomvattende onderlinge weging van de rechten en plichten. De kantonrechter kwalificeert de rechtsverhouding als een overeenkomst van opdracht tussen bedrijf A en werkgever. Daarom wijst de kantonrechter het verzoek van verzoeker af.
