Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 16 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:12286
Feiten
Werknemer is op 1 mei 2025 als jeugdzorgmedewerker in dienst getreden bij werkgever. Op 31 juli 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025 is beëindigd. Op 7 en 12 augustus 2025 heeft werknemer werkgever aangeschreven om conform de vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 4000, bestaande uit € 2.648,84 bruto en € 1.351,16 netto) te voldoen. Op 13 augustus 2025 heeft werkgever geantwoord dat het nettobedrag inmiddels is voldaan en dat het brutobedrag zal volgen zodra daarvoor financiële ruimte bestaat. Werknemer vordert in kort geding kort gezegd veroordeling van werkgever tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen hebben afgesproken dat werknemer recht heeft op loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025. Omdat werkgever het loon over juli, augustus en september 2025 tot op heden niet heeft voldaan, wordt de loonvordering van werknemer toegewezen. Daarnaast is werkgever vanaf de (respectievelijke) dag van opeisbaarheid ook de (vervallen) wettelijke rente verschuldigd. Ook hebben partijen afgesproken dat werknemer recht heeft op een beëindigingsvergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (€ 279,20 bruto) en op een vergoeding voor juridische kosten (€ 700 exclusief btw). Deze vergoedingen moeten volgens de vaststellingsovereenkomst uiterlijk op 1 november 2025 door werkgever worden betaald. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk dat deze vergoedingen niet zonder meer zullen worden uitbetaald, zodat werkgever daartoe wordt veroordeeld. Voor zover deze betalingen niet tijdig worden verricht, is werkgever vanaf 1 november 2025 ook de wettelijke rente daarover verschuldigd.
