Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 november 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:8649
X/Koninklijke Roeiers Vereeniging Eendracht
Feiten
De KRVE is sinds haar oprichting in 1895 werkzaam in de maritieme dienstverlening in de Rotterdamse haven. X is van 2 september 2013 tot 30 juni 2016 bij de KRVE in dienst getreden op basis van een leer-arbeidsovereenkomst. X heeft zijn opleiding tot bootman afgerond op 8 november 2016. De KRVE heeft per brief van 21 juni 2016 aan X het einde van de leer-arbeidsovereenkomst schriftelijk bevestigd. X heeft op 29 juni 2016 de door de KRVE opgestelde akte van samenwerking en toetreding getekend. X is op 30 juni 2016 roeier (aangesloten lid) bij de KRVE geworden en heeft zich met ingang van deze datum als zelfstandige ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Door X is aan de KRVE intredingsgeld betaald. Als vergoeding voor zijn werkzaamheden als roeier ontving hij als aangesloten lid een winstuitkering. X is bij een zogenaamde randomtest op 20 september 2016 positief getest op het gebruik van cocaïne. Door X is vervolgens een verplicht traject doorlopen bij Verslavingszorg Rodersana dat hij begin 2017 met goed gevolg heeft afgesloten. X heeft, na onduidelijkheid uit andere testen, op eigen initiatief op 31 maart 2017 een haartest voor de aanwezigheid van cocaïne en benzoylecgonine laten uitvoeren in het Universitair Medisch Centrum te Groningen. De uitslag van deze test luidt dat er geen aanwijzingen waren voor het gebruik van cocaïne. Per brief van 31 maart 2017 heeft de KRVE de rechtsbetrekking met X opgezegd per 30 maart 2017 wegens het schenden van het Alcohol- en drugsbeleid. X verzoekt onder meer voor recht te verklaren dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. X verzoekt tevens betaling van een bedrag dat KRVE heeft ingehouden voor het volgen van vorenbedoeld traject en een afrekening met de leasemaatschappij.
Oordeel
Na ommekomst van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sloten partijen een akte van samenwerking, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat X het beroep van bootman uitoefent voor gezamenlijke rekening en risico tezamen met de overige bij de KRVE aangesloten bootlieden. X heeft zich ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige en heeft zich verplicht entreegeld aan de KRVE te betalen. Daaruit kan worden afgeleid dat beide partijen uitdrukkelijk niet voor ogen stond een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook X wist dat hij geen arbeidsovereenkomst aanging en dat was ook voor hem een welbewuste keuze, al is het maar omdat hij wist dat hij anders geen roeier kon worden. Ook de uitvoering van de overeenkomst duidt erop dat partijen nimmer de bedoeling hebben gehad een arbeidsovereenkomst te sluiten. Dat X overleg moest voeren over het nemen van roostervrije dagen en moest werken volgens een bepaald rooster, leidt evenmin tot de conclusie dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de verplichtingen die de KRVE in de haven is aangegaan, zijn structuur en organisatorische afspraken noodzakelijk, maar de KRVE heeft onbestreden gesteld dat roeiers onderling diensten kunnen ruilen. In dat licht bezien is het ook logisch dat werknemer in geval van ziekte dat moest melden. X kreeg niet betaald tijdens ziekte. Ook dat feit duidt erop dat partijen welbewust geen arbeidsovereenkomst hebben afgesloten. Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dat heeft als gevolg dat de vorderingen a tot en met f zullen worden afgewezen. X maakt verder aanspraak op uitbetaling van het bedrag dat de KRVE heeft ingehouden voor het gevolgde traject. X had echter de keuze dat te weigeren. Dat de consequentie dan zou zijn dat de KRVE de samenwerking zou verbreken, maakt de keuze niet minder vrijwillig. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Wat betreft het ingehouden bedrag met betrekking tot voortijdige beëindiging van het leasecontract wordt als volgt overwogen. In de brief van 31 maart 2017 wordt X aangegeven dat hij geen ondernemer meer is en dus geen zakelijke auto meer kan rijden. Aan X kan worden toegegeven dat dat oordeel niet aan de KRVE toekomt, maar dat hij er zelf over kan beslissen of hij nog ondernemer is en die leaseauto wenst te behouden. Hij heeft blijkbaar niet aan de KRVE en/of de leasemaatschappij laten weten dat hij het contract wenste te continueren. X heeft de auto zonder protest ingeleverd. Niet valt in te zien op grond waarvan dan de KRVE de kosten van voortijdige beëindiging zou moeten dragen.
