Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10682
Feiten
Werknemer is sinds 10 februari 2025 op basis van een BBL-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij TOA. In de arbeidsovereenkomst is bepaald: “De overeenkomst eindigt automatisch bij het voltooien van de opleiding of bij voortijdige beëindiging van de Beroeps Praktijk Overeenkomst.” In januari 2026 heeft werknemer bij het ROC gemeld dat hij mantelzorg moest verlenen omdat zijn moeder ziek was. Op 3 februari 2026 heeft de mentor van het ROC aan TOA gemaild dat hij werknemer niet heeft gezien bij het examen en dat hij niet aanwezig was bij het bedrijfsbezoek. Gevraagd is of werknemer heeft gewerkt. TOA heeft deze e-mail aan werknemer doorgezet met het verzoek te reageren. Werknemer heeft per app gereageerd richting zijn mentor. Op 10 februari 2026 heeft de mentor richting TOA aangegeven dat werknemer weer niet aanwezig was. Op 27 maart 2026 heeft werknemer zich bij TOA ziekgemeld. Bij brief van 8 april 2026 heeft TOA aan werknemer medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 24 maart 2026, omdat zij van de onderwijsinstelling heeft vernomen dat de opleiding van werknemer per 24 maart 2026 is beëindigd en dat de arbeidsovereenkomst om die reden van rechtswege per diezelfde datum is geëindigd. Per e-mail van 9 april 2026 heeft het ROC aan werknemer medegedeeld dat hij per 24 maart 2026 is uitgeschreven van de opleiding. Werknemer heeft op 21 april 2026 aan het ROC bericht dat hij niet vooraf is geïnformeerd en niet in de gelegenheid is gesteld om bezwaar te maken. Aan TOA heeft hij bericht dat er sprake lijkt van een misverstand, hij het aan het oppakken is met de school en er nog op terugkomt. Op 13, 18 en 19 mei 2026 heeft (de gemachtigde van) werknemer TOA verzocht het ontslag in te trekken. TOA heeft hierop aangegeven het onderzoek af te willen wachten. In juni 2026 heeft het ROC werknemer weer toegelaten tot de opleiding en sindsdien volgt hij weer onderwijs. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst met TOA niet rechtsgeldig is geëindigd en onverminderd voortduurt.
Oordeel
Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer op 24 maart 2026 door het ROC is uitgeschreven. Door de uitschrijving is de stageovereenkomst – waarvan TOA onweersproken heeft gesteld dat deze overeenkomst een beroepspraktijkovereenkomst is – van rechtswege geëindigd op grond van de toepasselijke algemene bepalingen. Door de voortijdige beëindiging van de beroepspraktijkovereenkomst is de ontbindende voorwaarde dan ook vervuld. Niet gebleken is dat het ROC de uitschrijving met terugwerkende kracht heeft willen en kunnen herzien. Dat betekent dat de ontbindende voorwaarde - ook achteraf beschouwd - is vervuld met de uitschrijving per 24 maart 2026. De kantonrechter oordeelt verder dat de ontbindende voorwaarde rechtsgeldig is. TOA heeft ook een geldig beroep op deze voorwaarde kunnen doen.
Of een werknemer recht heeft op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst eindigt door het intreden van de ontbindende voorwaarde, is niet uitdrukkelijk in de wet geregeld. De kantonrechter oordeelt dat het de keuze van TOA geweest om een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst op te nemen (en daar een beroep op te doen). Daaruit kan worden afgeleid dat de arbeidsovereenkomst op basis van een initiatief van TOA niet is voortgezet. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat werknemer aanspraak kan maken op een transitievergoeding.
