Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 17 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6674
Werknemer van wie het dienstverband eerder gedeeltelijk is beƫindigd heeft recht op een transitievergoeding op grond van de gehele arbeidsomvang.

Feiten

Werknemer is per 13 mei 1985 in dienst getreden bij werkgeefster. Hij heeft zich met ingang van 12 januari 2015 ziek gemeld en is, na het doorlopen van de wachttijd, vanaf 9 januari 2017 door het UWV voor 20 uur per week (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bevonden. Werkgeefster heeft vervolgens een voorstel gedaan voor een gedeeltelijke beëindiging maar partijen hebben geen overeenstemming bereikt. Werkgeefster heeft de arbeidsvoorwaarden aangepast naar 20 uur per week, omdat er geen loondoorbetalingsverplichting meer was en werknemer slechts voor 20 uur per week werkzaam kon zijn. Werknemer is met ingang van 23 maart 2023 ook voor deze resterende 20 uur uitgevallen. Met een brief van 17 januari 2025 heeft het UWV aan werknemer bericht dat hij per 27 maart 2023 volledig arbeidsongeschikt is. Vervolgens hebben partijen onderhandeld over een beëindigingsovereenkomst, maar zij hebben geen overeenstemming bereikt omdat partijen het niet eens zijn geworden over de hoogte van de transitievergoeding. Partijen zijn het erover eens dat de transitievergoeding minimaal € 25.844,02 bruto bedraagt, berekend over een arbeidsduur van 20 uur per week voor de periode 13 mei 1985 (indiensttreding) tot 1 april 2025. Werknemer meent echter recht te hebben op een hoger bedrag, namelijk € 55.708,27 bruto. Volgens hem moet voor de gehele periode worden uitgegaan van een arbeidsduur van 40 uur, waardoor de transitievergoeding hoger uitvalt. Hij stelt dat de arbeidsduur gedurende zijn arbeidsovereenkomst altijd 40 uur per week is gebleven. Van een tussentijdse wijziging van de arbeidsduur naar 20 uur per week vanwege zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is nooit sprake geweest, omdat hij expliciet heeft aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel van werkgeefster om de arbeidsovereenkomst wat betreft die uren aan te passen. Partijen hebben daarom op grond van artikel 96 Rv een procedure gestart.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur van de werknemer moet worden beschouwd als een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hierbij is niet van belang op welke wijze de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden. De kantonrechter constateert dat werkgeefster met ingang van 9 januari 2017 de arbeidsvoorwaarden heeft aangepast van 40 naar 20 uur per week. Verder heeft werknemer ook niet weersproken dat hij vanaf die datum zijn werkzaamheden – met inachtneming van zijn medische beperkingen – heeft voortgezet voor de duur van 20 uur per week. Er is daarom dus sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor dat aantal uren. Op het moment van gedeeltelijke beëindiging ontstaat er aanspraak op een (gedeeltelijke) transitievergoeding voor de uren waarmee de arbeidsduur van de werknemer is verminderd. Dit betekent dat werknemer op 9 januari 2017 aanspraak kon maken op een gedeeltelijke transitievergoeding. Dit heeft werknemer op dat moment niet gedaan. Voor zover werkgeefster heeft aangevoerd dat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW inmiddels belemmert dat werknemer op dit moment alsnog aanspraak kan maken op de gedeeltelijke transitievergoeding, slaagt dit niet. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer pas voor het eerst in 2025, bij het voornemen van werkgeefster om zijn dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen, door werkgeefster is geconfronteerd met de berekening van de transitievergoeding en werknemer als reactie daarop (alsnog) aanspraak heeft gemaakt op de in januari 2017 ontstane gedeeltelijke transitievergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in een dergelijk geval de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW niet aan werknemer worden tegengeworpen. Werknemer behoudt zijn aanspraak op de gedeeltelijke transitievergoeding. Werkgeefster dient daarmee dus ook rekening te houden bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding. De proceskosten worden gecompenseerd.