Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3303
Feiten
Werknemer heeft van 28 april 2016 tot eind januari 2022 gewerkt als (installatie)monteur bij bedrijf X. Tijdens zijn dienstverband bij bedrijf X heeft werknemer zich een aantal keer ziekgemeld wegens verschillende klachten. Hij is voor deze klachten meermaals naar de reumatoloog geweest, maar deze heeft destijds geen oorzaak kunnen vinden voor de klachten. Met ingang van 1 mei 2022 is werknemer als monteur werktuigbouwkundige installaties in dienst getreden bij werkgeefster. Tijdens zijn sollicitatiegesprek heeft werknemer aan werkgeefster kenbaar gemaakt dat hij een oogontsteking heeft en dat hij hiervoor in juni 2022 ter controle naar het ziekenhuis moest. Werknemer heeft zich op 8 november 2022 ziekgemeld en is sindsdien volledig arbeidsongeschikt. In meerdere verslagen van de bedrijfsarts staat dat werknemer een chronische aandoening heeft die regelmatig opvlamt, een concrete oorzaak en gerichte behandeling nog niet te duiden is en er geen benutbare mogelijkheden zijn. Bij brief van 25 april 2023 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer buitengerechtelijk vernietigd. Op 16 augustus 2023 is werknemer gediagnostiseerd met sarcoïdose, een zeldzame aandoening waarbij ontstekingen in verschillende onderdelen van het lichaam kunnen optreden. In eerste aanleg heeft werknemer een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk is vernietigd wegens dwaling en achterstallig loon. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk heeft ontbonden, omdat onvoldoende is gebleken dat werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst over zodanige informatie over zijn gezondheid beschikte dat hij daarvan (vooraf) mededeling aan werkgeefster had moeten doen. Omdat werkgeefster het niet eens was met het vonnis van de kantonrechter, heeft zij hoger beroep ingesteld. Haar voornaamste bezwaar is dat werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist of behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou beperken in het uitvoeren van zijn werkzaamheden als monteur. Hiervoor voert werkgeefster aan dat werknemer bij bedrijf X diverse keren voor een langere periode was ziekgemeld wegens ontstekingen, hij hiervoor in een langdurig onderzoeks- en diagnosetraject zat, de bedrijfsarts destijds heeft geoordeeld dat twijfelachtig is of werknemer kan terugkeren in zijn huidige fysiek zware werk en werknemer kort daarna bij werkgeefster heeft gesolliciteerd in dezelfde en fysiek zwaardere functie van monteur.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werkgeefster onderbouwt haar stellingen met de probleemanalyse die zij bij de bedrijfsarts van bedrijf X heeft opgevraagd en verkregen. Het hof hecht eraan op te merken dat werkgeefster daarmee de privacy van werknemer heeft geschonden. Voor zover het hof deze probleemanalyse toelaat, volgt hier niet uit dat werknemer wist of behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren. Verder heeft werknemer toegelicht dat de ziekmeldingen bij bedrijf X verband hielden met verschillende, niet gerelateerd aan de later gestelde diagnose, operaties. Bovendien heeft werknemer toegelicht dat hij zijn arbeidsovereenkomst bij bedrijf X zelf heeft opgezegd, omdat hij niet meer samen met zijn vader wilde werken die ook bij bedrijf X werkzaam was. Daar komt bij dat werknemer na de betreffende probleemanalyse van bedrijf X nog ruim negen maanden fysiek zware werkzaamheden heeft kunnen verrichten voordat hij bij werkgeefster volledig uitviel. Tot slot is niet vast komen te staan dat werknemer bij het aangaan van zijn arbeidsovereenkomst in een langdurig onderzoekstraject zat. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat werkgeefster onvoldoende heeft onderbouwd dat werknemer mededeling had moeten doen omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie over zijn gezondheid. Het beroep op dwaling slaagt niet. De conclusie is dan ook dat werkgeefster ten onrechte de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd en ten onrechte geen loon heeft betaald. Werkgeefster was bij vonnis van de kantonrechter daarom al veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon. Het hof stelt de over dit bedrag verschuldigde wettelijke verhoging vast op 50%.
