Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/Stichting Autoriteit Financiele Markten
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11 november 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2270
AFM had gelet op de grote noodzaak tot versobering een zodanig zwaarwichtig belang tot wijziging van de pensioenovereenkomsten van haar werknemers.

Feiten

Drie werknemers (hierna: werknemers) zijn op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam voor Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM), laatstelijk in de functie van senior toezichthouder. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat werknemers deelnemen aan de collectieve pensioenregeling. De voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het Pensioenreglement, dat onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids (hierna: de pensioenregeling). De arbeidsovereenkomst van werknemers bevat een eenzijdig wijzigingsbeding. Op 18 december 2015 hebben het bestuur en de OR een pensioenakkoord ondertekend. Bij brief van 25 december 2015 heeft de OR ingestemd met wijziging van de pensioenregeling. In de wijzigingsbrief van 22 december 2015 aan de medewerkers (onder wie werknemers) staat onder meer dat de pensioenregeling is vernieuwd in verband met acute financieringsproblematiek en onbeheersbaarheid van de kosten van de pensioenregeling (het zogenoemde Pensioenreglement 2016). Ook vormde de marktconformiteit van de huidige regeling aanleiding de pensioenregeling te vernieuwen. De pensioenregeling is per 1 januari 2016 gewijzigd. Werknemers hebben in eerste aanleg gevorderd dat AFM wordt veroordeeld tot ongewijzigde voortzetting van de pensioenregeling zoals die tot 1 januari 2016 voor werknemers van toepassing was (het zogenoemde Pensioenreglement 2014). De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemers afgewezen en geoordeeld dat AFM aannemelijk heeft gemaakt dat de wijziging van de pensioenregeling noodzakelijk is in verband met acute financieringsproblematiek en toekomstige kostenontwikkeling van de pensioenregeling (zie AR 2023-0708). Werknemers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof heeft AFM veroordeeld tot nakoming van (delen van) de Pensioenovereenkomst 2014, (delen van) de Pensioenovereenkomst 2016, (delen van) de Uitvoeringsovereenkomst 2014 en (delen van) de Uitvoeringsovereenkomst 2016. Zowel de AFM als werknemers hebben cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft het arrest van het Hof Amsterdam vernietigd. Na verwijzing moet opnieuw worden beoordeeld of de AFM er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met haar werknemers zou worden aangepast en of de belangen van haar werknemers bij voortzetting van de pensioenovereenkomst daarvoor moeten wijken. Daarbij speelt ook de vraag of de pensioenovereenkomst eenzijdig door AFM kan worden gewijzigd op basis van het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst. Daarnaast hebben werknemers ook de afgifte van een afschrift van de aanvangshaalbaarheidstoets die AFM heeft uitgevoerd voorafgaand aan de wijziging van het Pensioenreglement 2014 naar het Pensioenreglement 2016 gevorderd, omdat zij daarmee – volgens eigen zeggen – de kwaliteit van het Pensioenreglement 2016 beter kunnen inschatten.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Allereerst oordeelt het hof dat het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst van werknemers een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW is. Anders dan werknemers hebben aangevoerd, volgt uit het feit dat deze bepaling in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, niet dat zij niet van toepassing kan zijn op eenzijdige wijzigingen van de pensioenovereenkomst. Daarvoor is van belang dat artikel 4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat werknemers deelnemen aan de collectieve pensioenregeling van de AFM, zoals neergelegd in het Pensioenreglement. De essentie van de pensioenovereenkomst vormt dus ook een onderdeel van het schriftelijke contract waarin de arbeidsovereenkomst is vastgelegd. Nu de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst van werknemers moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:613 BW, is de vervolgvraag of AFM een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van werknemers daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. AFM heeft hiervoor aangevoerd dat het op 1 januari 2015 van kracht geworden ‘Nieuw Financieel Toetsingskader’ hogere eisen stelde aan het eigen vermogen van het pensioenfonds, er sprake was van ongewenste volatiliteit in de begroting van AFM die veroorzaakt werd door de pensioenregeling, er een acuut financieringsprobleem voor AFM was dat werd veroorzaakt door de toenmalige pensioenregeling, het Ministerie van Financiën de begroting dreigde af te keuren als AFM niet haar pensioenregeling zou versoberen en de OR uiteindelijk akkoord is gegaan met het voorstel van AFM. Het hof oordeelt dat AFM hiermee een zwaarwegend belang had om de pensioenregeling te wijzigen. AFM heeft daarvoor terecht gewezen op het gegeven dat zij een publieke taak vervult en dat zij rekening heeft te houden met de wens van de minister om de hoge uitgaven voor de uitvoering van de bestaande pensioenregeling terug te dringen en de pensioenvoorziening te versoberen. Bovendien is het feit dat de OR na uitvoerig overleg heeft ingestemd met de wijziging van de pensioenregeling een belangrijke indicatie dat AFM een zwaarwegend belang had bij de wijziging. Gelet op dit grote belang dat AFM had bij de wijziging van de pensioenovereenkomst (noodzaak tot versobering) en het feit dat de OR daarmee na uitvoerig overleg heeft ingestemd, is het enkele feit dat de pensioenvooruitzichten van werknemers aanzienlijk zijn verslechterd op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat het belang van AFM tot wijziging hiervoor moet wijken. Daarbij is verder van belang dat AFM heeft aangevoerd dat de nieuwe pensioenregeling marktconform is en niet substantieel onderdoet voor de DNB-pensioenregeling en dat werknemers tot op zekere hoogte zijn gecompenseerd voor de verslechteringen. Tot slot oordeelt het hof dat werknemers ook geen recht hebben op afgifte van een afschrift van de aanvangshaalbaarheidtoets die AFM heeftt uitgevoerd voorafgaand aan de wijziging van het Pensioenreglement 2014 naar het Pensioenreglement 2016. Werknemers hebben daarvoor onvoldoende toegelicht waarom zij een belang hebben bij afgifte van deze toets, nu de rechten en plichten uit hoofde van de pensioenovereenkomst niet bepaald of beïnvloed worden door deze toets. Het hof wijst daarom de vorderingen van werknemers af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.