Naar boven ↑

Rechtspraak

HZ/Tribunal Galati
Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 november 2025
ECLI:EU:C:2025:874
Onbezoldigd structureel overwerk (tijd-voor-tijd) kan onder omstandigheden de onafhankelijkheid van rechters aantasten (art. 19 lid 1 VEU).

Feiten

HZ is sinds 1 april 2017 rechter bij de Tribunal Galați. Deze rechterlijke instantie kampt sinds 2019 met een tekort aan personeel omdat bepaalde rechterlijke ambten niet zijn ingevuld.  HZ is van mening dat hij sinds 2019 niet alleen de taken heeft verricht die verband houden met zijn eigen ambt, maar ten dele ook die welke overeenkomen met vacante posten die zijn verdeeld onder de rechters die daadwerkelijk bij zijn rechterlijke instantie in dienst zijn. Aangezien dit volgens hem heeft geleid tot overuren, heeft HZ verzocht om uitbetaling van deze overuren in de vorm van een deel van de aan de vacante posten verbonden nettosalarissen en vergoedingen, gedeeld door het aantal rechters dat daadwerkelijk in dienst is, voor de periode van 2019 tot en met 2021 en voor de daaropvolgende jaren, totdat die vacante posten zijn ingevuld. Bij vonnis van 11 januari 2023 heeft de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) het beroep van HZ tot betaling van die vergoeding ongegrond verklaard, met name op grond dat krachtens artikel 35 lid 1 OUG nr. 114/2018, artikel II lid 1 OUG nr. 130/2021 en artikel II lid 1 OUG nr. 168/2022, overuren die buiten de normale arbeidstijd worden gepresteerd door overheidspersoneel met leidinggevende of toezichthoudende functies, alsmede overuren die worden gepresteerd op wekelijkse rustdagen, feestdagen en andere dagen waarop volgens de geldende regeling tijdens de normale arbeidstijd geen enkel uur wordt gewerkt, slechts kunnen worden gecompenseerd door een overeenkomstige rusttijd. Volgens verzoeker in het hoofdgeding leidt een situatie van chronisch personeelstekort binnen een rechterlijke instantie echter tot een toename van de taken die elk van de bij die rechterlijke instantie werkzame rechters moet verrichten, en tot een verhoogd risico van fouten en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van magistraten. Bovendien kan de toekenning van compenserende rusttijd in een dergelijke situatie louter theoretisch blijken te zijn, zodat de aan de rechters toegekende bezoldiging mogelijkerwijs niet overeenkomt met de verantwoordelijkheden die uit hun ambt voortvloeien. De verwijzende rechter herinnert eraan dat de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië) heeft geoordeeld dat de financiële stabiliteit van magistraten een van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is en stelt daarom prejudiciële vragen aan het Hof. In dit verband wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling verenigbaar is met de onafhankelijkheid van rechters zoals gewaarborgd door artikel 19 lid 1 tweede alinea VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, de punten 5 en 7 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden en de artikelen 3 en 5 tot en met 7 van Richtlijn 2003/88/EG.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. 

Bezoldiging rechters kan van invloed zijn op onafhankelijkheid

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het volgens artikel 19 VEU, dat het in artikel 2 VEU verankerde rechtsstaatbeginsel concretiseert, aan de nationale rechterlijke instanties en het Hof staat om te waarborgen dat het Unierecht in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen. Daartoe is de instandhouding van de onafhankelijkheid van deze instanties cruciaal (HvJ EU 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C-146/23 en C-374/23, ECLI:EU:C:2025:109, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort namelijk tot de kern van het grondrecht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en voor het behoud van de in artikel 2 VEU vermelde waarden, met name het rechtstaatsbeginsel, die de lidstaten gemeen hebben en die de wezenlijke identiteit van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde bepalen (Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het begrip „onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties” veronderstelt met name dat de betrokken instantie haar rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, opdat zij aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zou kunnen brengen. Net zoals de onafzetbaarheid van de leden van de betrokken instantie, is de ontvangst door deze leden van een bezoldiging die qua omvang evenredig is aan het belang van de functies die zij uitoefenen, een aan de rechterlijke onafhankelijkheid inherente waarborg (HvJ EU 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117, punten 44 en 45; HvJ EU 7 februari 2019, Escribano Vindel, C-49/18, ECLI:EU:C:2019:106, punt 66, en Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, punt 49). De lidstaten beschikken weliswaar over een ruime beoordelingsmarge bij hun keuzen inzake overheidsuitgaven, met name wanneer zij de methode voor de berekening van deze uitgaven vaststellen en in het bijzonder van de bezoldiging van rechters (zie in die zin Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, punt 51).  De nationale regels betreffende de bezoldiging van rechters mogen bij de justitiabelen echter geen gerechtvaardigde twijfels doen ontstaan over de vraag of de betrokken rechters zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder vormt, zoals in punt 37 van het onderhavige arrest is vermeld, het feit dat rechters een bezoldiging ontvangen die qua omvang evenredig is aan het belang van de functie die zij uitoefenen, een aan hun onafhankelijkheid inherente waarborg. Afgezien van de billijkheid, in de zin van punt 5 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, van de bezoldiging die de rechters zouden moeten ontvangen, moet hun bezoldiging bovendien, gelet op de socio-economische context van de betrokken lidstaat, voldoende hoog zijn om hun een zekere economische onafhankelijkheid te verlenen om hen te beschermen tegen het risico dat mogelijke inmenging of druk van buitenaf de neutraliteit van de beslissingen die zij moeten nemen, zou kunnen ondermijnen. De hoogte van deze bezoldiging moet de rechters dus beschermen tegen het risico van corruptie (zie in die zin Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bijgevolg formuleert het Hof een aantal gezichtspunten waaraan moet worden getoetst om vast te stellen of een 'tijd-voor-tijd'-regeling niet op gespannen voet komt te staan met de rechterlijke onafhankelijkheid. Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 19 lid 1 tweede alinea VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU en punt 5 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, aldus moet worden uitgelegd dat het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zich niet verzet tegen een nationale regeling die, door enkel te voorzien in de toekenning van compenserende rusttijd voor de arbeidstijd die een rechter verricht voor de uitvoering van taken die vallen onder een vacante post binnen zijn rechterlijke instantie, naast die welke op hem rusten uit hoofde van de functie die hij bekleedt, elke financiële vergoeding uitsluit voor de werkzaamheden die worden verricht met het oog op de uitvoering van die extra taken, voor zover die rechter daadwerkelijk aanspraak kan maken op de door hem verworven compenserende rusttijd en deze regeling niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de eis dat zijn bezoldiging evenredig is aan het belang van de door hem uitgeoefende taken.