Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Dorrestijn Timmerfabriek B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 5 november 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:9579
Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer op grond van artikel 7:686 BW toegewezen.

Feiten

Werknemer is per 1 mei 2007 in dienst getreden bij Dorrestijn Timmerfabriek B.V. (hierna: Dorrestijn) in de functie van algemeen medewerker. Vanaf 1 november 2024 is het loon van werknemer niet volledig uitbetaald. Op 30 april 2025 is Dorrestijn veroordeeld tot betaling van onder meer het achterstallig loon over de periode vanaf 1 november 2024. Werknemer verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Werknemer voert aan dat Dorrestijn is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst en verzoekt een transitievergoeding omdat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar nalaten van Dorrestijn door het loon vanaf 1 november 2024 onbetaald te laten. Dorrestijn legt zich neer bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Oordeel

Een kernverplichting van de werkgever die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst is de verplichting tot betaling van het salaris van de werknemer. Nu Dorrestijn Timmerfabriek vanaf 1 november 2024 het salaris van werknemer niet (volledig) heeft voldaan en de betalingsachterstand inmiddels is opgelopen tot een bedrag van € 22.623,58, staat voldoende vast dat Dorrestijn Timmerfabriek tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Deze tekortkoming is voldoende ernstig om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen.
Hoewel de Hoge Raad in de beschikking ECLI:NL:HR:2020:283 heeft overwogen dat bij een ontbinding op grond van artikel 7:686 BW geen aanspraak kan worden gemaakt op een transitievergoeding, overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 7:673 lid 1 onderdeel b onder 2 BW bepaalt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is ontbonden als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervan kan zowel bij een ontbinding op grond van artikel 7:671c BW als bij een ontbinding op grond van artikel 7:686 BW sprake zijn. In dit geval kwalificeert de kantonrechter de tekortkoming, het (gedeeltelijk) onbetaald laten van het salaris van werknemer sinds 1 november 2024 waardoor er per 20 oktober 2025 een achterstand van € 22.623,58 bestaat, eveneens als ernstig verwijtbaar handelen c.q. nalaten van Dorrestijn. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werknemer recht heeft op een transitievergoeding. De hoogte van de transitievergoeding heeft werknemer, uitgaande van een brutosalaris van € 3.259,69 per vier weken, waar ook in het vonnis van de kantonrechter van 30 april 2025 van uit wordt gegaan, omgerekend € 3.520,41 per maand, berekend op € 21.712,41. Dorrestijn heeft ter zitting aangevoerd dat het brutosalaris € 2.858,83 bedraagt en heeft daarbij verwezen naar de salarisstrook over periode 9 van 2025. Zij komt tot dit bedrag door het ziektegeld van € 2.653,70 te vermeerderen met de prestatietoeslag van € 204,85 en de aanvulling hogere werkweek van € 312,20, en te verminderen met € 311,92. Hierop is ter zitting door werknemer niet inhoudelijk gereageerd. De kantonrechter stelt daarom werknemer in de gelegenheid zich uit te laten over de hoogte van het brutosalaris en de hoogte van de transitievergoeding (uitgaande van einde dienstverband per heden). Daarna krijgt Dorrestijn de mogelijkheid hierop te reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.