Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 22 oktober 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:5462
Feiten
Partijen hebben een gezamenlijk verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 96 Rv ingediend. DSM heeft het voornemen om een van haar ondernemingen te sluiten. Op die sluiting is een sociaal plan van toepassing verklaard, dat DSM in samenspraak met de betrokken vakbonden heeft opgesteld. In artikel 4.1 van het sociaal plan is de hoogte van een door DSM uit te keren beëindigingsvergoeding bepaald voor medewerkers die door de sluiting van GBD boventallig verklaard worden. Die vergoeding heeft als rekenbasis het aantal dienstjaren dat een boventallig verklaarde medewerker bij “(de rechtsvoorgangers van) DSM” heeft gewerkt. Partijen zijn het er niet over eens of bij die berekening óók de tijd moet worden meegeteld waarin een medewerker - voorafgaand aan het dienstverband bij DSM - als uitzendkracht heeft gewerkt. DSM vindt van niet, FNV vindt van wel. Partijen hebben de kantonrechter om een beslissing gevraagd.
Oordeel
De kantonrechter beslist dat de uitzendjaren niet onder de dienstjaren zoals bedoeld in het sociaal plan vallen en onder ‘(rechtsvoorgangers van) DSM’ geen uitzendbureaus moeten worden verstaan. In het sociaal plan is geen definitie opgenomen van wat onder ‘dienstjaar’ moet worden verstaan, en ook niet wat onder ‘(rechtsvoorgangers van) DSM’ moet worden verstaan. Partijen zijn het erover eens dat zij bij de totstandkoming van de tekst van artikel 4.1 niet over de invulling van beide begrippen hebben gesproken. Uitzendbureaus worden dus niet expliciet genoemd in artikel 4.1 en uit de tekst van het sociaal plan kan niet worden opgemaakt dat de begrippen ‘(de rechtsvoorgangers van) DSM’ en ‘dienstjaren’ moeten worden ingevuld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals FNV die noemt. Dat het begrip ‘rechtsvoorgangers van DSM’ is opgenomen in de tekst, acht de kantonrechter daarentegen een logisch gevolg van het feit dat het DSM-concern - onbetwist - in de loop der tijd is ontstaan uit verschillende vennootschappen met elk hun eigen arbeidsvoorwaarden. Voor de bij het sociaal plan betrokken medewerkers zal dat bekend (moeten) zijn. De kans is dus groot dat verschillende boventallig te verklaren medewerkers door overname, fusie of (al dan niet tijdelijke) detachering eerst hebben gewerkt voor een andere (concern)vennootschap. Het zou bepaald onlogisch zijn dat die gewerkte tijd niet zou meetellen bij de berekening van de gewogen dienstjaren. Dat ligt zoals gezegd anders voor uitzendbureaus, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze op enig moment deel hebben uitgemaakt van het DSM-concern. De conclusie is dat onder ‘rechtsvoorgangers van’ DSM geen uitzendbureaus worden begrepen en onder ‘dienstjaren’ niet de tijd meetelt die een medewerker voorafgaand aan het dienstverband als uitzendkracht heeft gewerkt. In bovenstaande conclusie wordt de kantonrechter nog gesterkt door het feit dat het sociaal plan en in het bijzonder de tekst van artikel 4.1 kennelijk al sinds 2014 bij verschillende reorganisaties van DSM wordt gehanteerd. Niet gesteld of gebleken is dat de invulling van het begrip dienstjaar eerder tot discussie heeft geleid, noch dat bij eerdere reorganisaties voor de invulling van het begrip dienstjaar wél periodes zijn meegeteld waarin een medewerker voorafgaand aan het dienstverband bij DSM als uitzendkracht bij DSM heeft gewerkt. Ook dat is een aanwijzing dat de invulling van het begrip dienstjaar in de sociale plannen steeds, voor derden kenbaar, was zoals DSM die in het verzoekschrift heeft omschreven.
