Rechtspraak
Verzoekers hebben in 2003 bij ING hypothecaire geldleningen willen verwerven ten behoeve van de aankoop van een jacht en ten behoeve van een al aangekochte woning. Zij hebben daartoe onder meer werkgeversverklaringen en loonstroken overlegd. ING heeft verzoekers bericht dat de veiligheidsafdeling van ING op hen betrekking hebbende gegevens in het incidentenregister heeft opgenomen. Grond voor opneming in het register is het vermoeden van hypotheekfraude en (poging tot) oplichting van ING met behulp van valse werkgeversverklaringen en loonstroken. Verzoekers hebben op grond van artikel 45 Wbp ING verzocht de gegevens te verwijderen. De rechtbank en het hof hebben ING bevolen gehoor te geven aan dit verzoek. ING heeft vervolgens een herroeping van de gegeven beschikking verzocht wegens het feit dat verzoekers ‘bedrog in het geding’ zouden hebben gepleegd. Uit politieverhoren zou inmiddels blijken dat er geen arbeidsovereenkomst met verzoekers en gepretendeerde werkgever was. Het hof heeft de zaak heropend en het verzoek van verzoekers alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat het betoog van verzoekers - dat voor het opnemen van strafrechtelijke persoonsgegevens in bestanden die onder het regime van de Wbp vallen een veroordeling door de strafrechter is vereist - geen steun vindt in het recht. Naar het oordeel van het hof is de enkele strafrechtelijke verdenking onvoldoende voor opname in een persoonsregister, maar dient sprake te zijn van een zware verdenking die de toets van artikel 350 Sv (bewezenverklaring) zou kunnen doorstaan. Naar het oordeel van hof voldoet de verdenking op verzoekers aan deze verzwaarde eis. Verzoekers hebben tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld. Zij betogen onder meer dat sprake is van een verrassingsbeschikking en dat het recht van artikel 6 lid 2 EVRM is geschonden.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Anders dan verzoekers aanvoeren heeft het hof bij zijn oordeel dat de ten aanzien van verzoekers vastgestelde feiten en omstandigheden een bewezenverklaring van valsheid in geschrift en oplichting in de zin van artikel 225 en 326 Sr. kunnen dragen, geen verrassingsbeslissing gegeven, niet in strijd met artikel 24 Rv. of artikel 149 lid 1 Rv. feiten aangevuld en is het evenmin buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Inzet van het oorspronkelijke partijdebat was immers onmiskenbaar of verwerking van de strafrechtelijke persoonsgegevens van verzoekers in het incidentenregister op grond van de criteria van het Protocol gerechtvaardigd was. In dat kader heeft ING - die ter zake van haar vermoeden aangifte had gedaan van (poging tot) fraude, oplichting dan wel valsheid in geschrift - het standpunt ingenomen dat het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan de door ING gestelde feiten daartoe voldoende is en hebben verzoekers bepleit dat niet reeds als aangifte is gedaan of slechts een vermoeden van een strafbaar feit aanwezig is, maar eerst ingeval een strafbaar feit is of zal worden gepleegd strafrechtelijke gegevens mogen worden verwerkt. Het hof had het hof beslist dat het enkele feit van deze aangifte de verwerking van deze gegevens in het incidentenregister niet rechtmatig maakt. Voor het antwoord op de vraag of het verzoek tot herroeping van de eerdere beschikking van het hof op de daartoe door ING aangevoerde gronden toewijsbaar is, diende het hof dan ook te onderzoeken of een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. Op toepassing van deze maatstaf hadden verzoekers in dit geding bedacht moeten zijn. Van een (ontoelaatbare) verrassingsbeslissing was dus geen sprake. De hierop gerichte klachten falen.
Het hof heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat voor verwerking in overeenstemming met het Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de Wbp vallen een veroordeling door de strafrechter niet is vereist. Voorts heeft het hof terecht onder ‘strafrechtlijke persoonsgegevens’ verstaan “zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van artikel 350 Sv. - kunnen dragen” en in dat verband - evenzeer terecht - als maatstaf genomen of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Het hof heeft, zonder miskenning van zijn taak als burgerlijke rechter en zonder schending van de door artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie kunnen oordelen dat de in dit civiele geding als vaststaand aangenomen gedragingen van verzoekers - waarover de strafrechter geen uitspraak heeft gedaan en, naar het hof kennelijk heeft aangenomen, ook niet zal doen - een zwaardere verdenking opleveren dan enkel een redelijk vermoeden van schuld aan valsheid in geschrift of oplichting.
Volgt verwerping van het cassatieberoep.
