Naar boven ↑

Rechtspraak

De arts in het primaire onderzoek was niet ingeschreven in het specialistenregister ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Controlevoorschriften Ziektewet 2010. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts, hetgeen ook is gebeurd.

Appellant is werkzaam geweest als administratief medewerker en heeft zich op 14 september 2011 (opnieuw) ziek gemeld bij UWV wegens psychische klachten. UWV heeft vastgesteld dat appellant per 17 maart 2014 geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard. De rechtbank verklaart het beroep van appellant gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank overweegt daarbij dat de hoorplicht ex artikel 7:2 Awb is geschonden, en met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad van 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3794, wordt overwogen dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts onzorgvuldig, inconsistent of niet concludent zijn. Verwijzend naar een uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863, wordt overwogen dat raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden van betrokkene of indien een betrokkene stelt dat zijn behandelend artsen een beredeneerd afwijkend standpunt hebben over zijn beperkingen. De rechtbank oordeelt dat geen van beide situaties zich hier voordoet. Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Volgens appellant is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest nu dit is verricht door een verzekeringsarts in opleiding.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De primaire arts was ten tijde van belang verzekeringsarts in opleiding. Ter uitvoering van artikel 39 ZW (het artikel op basis waarvan UWV controle mag verrichten op het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte) heeft UWV controlevoorschriften vastgesteld. De kwaliteit van het primaire onderzoek is onvoldoende gewaarborgd, nu niet is gebleken dat de bij het onderzoek betrokken arts in opleiding was ingeschreven in het vereiste specialistenregister ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van deze Controlevoorschriften Ziektewet 2010 en het rapport voorts niet is medeondertekend door een verzekeringsarts. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. De Raad is van oordeel dat de bedrijfsarts in bezwaar wel bevoegd was om (zelfstandig) medisch onderzoek te verrichten, nu hij, zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:360, wel voldeed aan het hierboven genoemde vereiste. Het betoog van appellant dat de bedrijfsarts ten onrechte en op onjuiste gronden het medisch onderzoek heeft beperkt tot het dossier en geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend psychiater, volgt de Raad evenmin. Volgens vaste rechtspraak mag een arts van UWV varen op zijn eigen oordeel. Er zijn daarnaast geen nieuwe medische gegevens overgelegd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.