Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7505
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2025 bij werkgever in dienst getreden als postsorteerder. Op 23 of 24 april 2025 is werknemer tijdens zijn werkzaamheden gevallen en heeft hij letsel opgelopen. Werknemer verzoekt in een deelgeschil om voor recht te verklaren dat werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Tijdens de mondelinge behandeling geeft werknemer voor het eerst een concrete en gedetailleerde beschrijving van het ongeval. Zijn advocaat verklaart dat hij deze feiten bewust niet in het verzoekschrift heeft opgenomen om de wederpartij niet wijzer dan nodig te maken.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Door de toedracht van het ongeval bewust niet in het verzoekschrift te vermelden, hebben werknemer en zijn advocaat deze waarheidsplicht geschonden. Werkgever is hierdoor ernstig in zijn verdediging geschaad, omdat hij zich niet concreet heeft kunnen verweren ten aanzien van zijn zorgplicht en eventuele opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer. Het alsnog aanvoeren van deze feiten tijdens de mondelinge behandeling herstelt deze schending niet. Gelet op de aard en ernst van de schending en de relatief snelle procesgang van een deelgeschilprocedure, waarin de rechter een bindende eindbeslissing geeft, wordt het verzoek afgewezen. De kantonrechter begroot de deelgeschilkosten niet, omdat de procedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.
