Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2854
Feiten
Op 29 januari 2007 is X B.V. opgericht als persoonlijke holding van X, die enig aandeelhouder en bestuurder was. Op 18 maart 2009 is Online Seminar B.V. (hierna: OLS) opgericht, een bedrijf in software en ICT-oplossingen voor online presentaties en webinars. X werd enig aandeelhouder en bestuurder van OLS. Op 19 augustus 2013 is werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst bij OLS in dienst getreden als algemeen manager. Op 29 december 2016 is OnlineSeminar International B.V. (hierna: OLSI) opgericht. X hield 75% van de aandelen in OLSI en 25% in OLS . X werd statutair bestuurder van OLSI. Op 31 december 2018 is Online Seminar The Netherlands B.V. (hierna: OLS NL) opgericht, waarvan OLS bestuurder werd. Op enig moment zijn de aandelen die X in OLS hield, gecertificeerd. Op 30 december 2019 heeft X 15% van de certificaten in OLS verkocht en geleverd aan bedrijf Y, de persoonlijke holding van werknemer. Bedrijf Y heeft dit bedrag betaald met een rentedragende lening van X. Werknemer was bestuurder van bedrijf Y. In 2020 kampte X met burn-outklachten en vertrok hij voor een sabbatical naar Aruba. Op 28 december 2020 werd bedrijf Y bestuurder van X B.V., waardoor werknemer ook middellijk bestuurder werd van OLS, OLSI en OLS NL. Zijn functie werd sindsdien aangeduid als CEO en bedrijfsleider van de OLS-groep. De vastgestelde jaarrekeningen over 2020 en 2021 van OLS en OLSI zijn op respectievelijk 9 september 2021 en 26 oktober 2022 tijdig gedeponeerd. Het bestuur is telkens decharge verleend. Op 15 maart 2023 zijn OLS en OLS NL, een dag nadat zij zelf surseance van betaling hadden aangevraagd, failliet verklaard. Een groot deel van de onderneming is door de curator verkocht aan een doorstarter. Een softwareproduct en de bijbehorende activa zijn door de curator aan X verkocht. De faillissementen zijn inmiddels opgeheven. Op 22 maart 2023 is bedrijf Y ontslagen als bestuurder van X. Werknemer is daarna in dienst getreden bij de doorstarter. Vanaf november 2023 heeft X de administratie van OLSI en X B.V. onderzocht en tegenover zijn eigen accountant en werknemer twijfels geuit over de verantwoording van bepaalde mutaties. In de administratie van OLSI zijn vijf facturen van Rental Service Spain/Rental Service Barcelona aangetroffen voor huur en aanschaf van studioapparatuur, gericht aan OLSI ter attentie van werknemer, met een totaalbedrag van € 70.428,48. Uit bankafschriften bleek dat OLSI € 15.235,15 had overgemaakt aan Rental Service Barcelona en € 17.017,79 aan de Amerikaanse vennootschap Studio & Streaming Services. Op 12 januari 2024 hebben X en OLSI conservatoir (derden)beslag gelegd op de privéwoning van werknemer en onder verschillende banken, ten laste van onder anderen werknemer. De rechtbank heeft op 14 augustus 2024 de vorderingen van OLSI ten aanzien van werknemer afgewezen. Bedrijf Y is in verband met de geldlening van 30 december 2019 veroordeeld tot betaling aan X van € 44.837, vermeerderd met rente ten kosten. X en OLSI zijn niet in hoger beroep gekomen tegen de veroordeling van bedrijf Y. Zij hebben alleen werknemer in hoger beroep betrokken. X en OLSI vorderen vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van werknemer en vorderen een verklaring voor recht dat werknemer onrechtmatig heeft gehandeld tegenover X en OLSI en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van werknemer voor de schade van X en OLSI wegens onrechtmatig handelen, ook moet komen vast te staan dat werknemer daarvan persoonlijk heeft geprofiteerd. Het hof stelt vast dat niet is gesteld of gebleken dat X betalingen heeft gedaan aan de genoemde buitenlandse vennootschappen. Daarmee gaat het in deze zaak alleen om de gewraakte betalingen die zijn gedaan vanuit OLSI aan Rental Service Spain in Spanje en Studio & Streaming Services in de VS. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer op de concrete verwijten die hem worden gemaakt ontwijkend en niet afdoende gereageerd, terwijl het zowel in zijn eerste rol als algemeen manager als in zijn latere rol van statutair bestuurder, op zijn weg ligt om hierover duidelijkheid te verschaffen. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat hij kennelijk de voornaamste (en mogelijk enige) contactpersoon van Rental Service Spain was. Zijn reactie blijft echter steken in algemeenheden, zonder dat hij concreet heeft gemaakt welke tegenprestaties Rental Service Spain heeft geleverd. De conclusie is dat er gerede twijfel bestaat over de echtheid van de facturen van Rental Service Spain. Verder zijn er aanwijzingen dat werknemer heeft geprofiteerd van de betalingen die OLSI op basis van deze facturen heeft gedaan. Op grond van alle hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, oordeelt het hof het voorshands aannemelijk dat werknemer met gebruikmaking van valse facturen via betalingen naar een Spaanse en naar een Amerikaanse bankrekening een bedrag van in totaal € 36.970,94 heeft onttrokken aan OLSI en hiervan persoonlijk heeft geprofiteerd. Het is aan werknemer om dit vermoeden te ontzenuwen. Als werknemer er niet in slaagt het hiervoor omschreven vermoeden te ontzenuwen, zal het hof uitgaan van de juistheid van dit vermoeden. In dat geval is de vordering van X en OLSI tot een bedrag van in hoofdsom € 36.970,94 toewijsbaar. De zaak wordt naar de rol verwezen teneinde werknemer in de gelegenheid te stellen het hiervoor bedoelde vermoeden te ontzenuwen. X en OLSI zullen daar vervolgens op kunnen reageren. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. Dit geldt ook voor het oordeel over een reële proceskostenvergoeding.
