Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2995
Feiten
Tussen 1 juli 2017 en 1 juli 2019 is werkneemster in dienst geweest van EU-TAX B.V. in de functie van administratief medewerkster. In verband met de beëindiging van het dienstverband hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, met daarin opgenomen een concurrentiebeding voor de duur van een jaar. Werkneemster is daarna bij de eensmanszaak met handelsnaam 2 werkzaam, waar zij werkzaamheden verricht die gelijk zijn als die zij bij EU Tax verrichte. EU-TAX heeft inzage in stukken en een verklaring voor recht gevorderd dat werkneemster en handelsnaam 2 onrechtmatig hebben gehandeld. EU-TAX heeft ook een schadevergoeding gevorderd. Zij baseert haar vorderingen op het zodanig sterke vermoeden dat werkneemster de vaststellingsovereenkomst heeft geschonden en dat handelsnaam 2 daar willens en wetens misbruik van heeft gemaakt. Werkneemster en handelsnaam 2 ontkennen dit. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de vorderingen van EU-TAX afgewezen (zie AR 2024-1428). EU-TAX is in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. De primaire vorderingen nemen tot uitgangspunt dat werkneemster het concurrentiebeding heeft overtreden omdat een voormalige klant van EU- Tax (hierna: de klant), tijdens de looptijd van het concurrentiebeding, namelijk begin 2020, klant van de onderneming van handelsnaam 2 is geworden. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft werkneemster hiermee het concurrentiebeding niet overtreden. De stelling van EU-Tax dat werkneemster de overgang van de klant naar handelsnaam 2 heeft geïnitieerd en/of bevorderd is namelijk onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat werkneemster en handelsnaam 2 hebben aangevoerd dat zij pas in 2021, dus na afloop van de werkingsduur van het concurrentiebeding zijn gaan samenwerken. Daarbij wordt verwezen naar een bericht van handelsnaam 2 dat hij op 15 november 2021 aan zijn klanten heeft geschreven dat werkneemster vanaf oktober (2021) is toegetreden tot het team. EU-Tax heeft de inhoud van dit bericht niet weersproken. Gezien het voorgaande is er - naar het voorlopige oordeel van het hof - geen sprake van onrechtmatig handelen.
Ten aanzien van de inzagevorderingen oordeelt het hof dat deze toewijsbaar zijn voor zover ze zien op de metadata en auditlogs van de computersystemen van handelsnaam 2 (headers, agenda/telefonie metadata, CRM- en boekhoudlogs) gerelateerd aan de gebruiker werkneemster betreffende de klant, over de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020. EU-TAX heeft belang bij de inzage, omdat met deze gegevens kan worden vastgesteld of er sprake is van een overtreding van het concurrentiebeding. Het hof stelt wel de voorwaarde dat degene die de inzagehandelingen verricht, onafhankelijk is en zich conformeert aan de door het hof op te leggen voorwaarden voor de inzage. Om dit te borgen zal het hof bepalen dat de gerechtsdeurwaarder de inzagehandelingen verricht, al dan niet met behulp van een IT-deskundige. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
