Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29557
Schending concurrentiebeding na verkoop horecaonderneming. Concurrentiebeding wordt op grond van de redelijkheid en billijkheid beperkt in duur en geografische reikwijdte.

Feiten

Verkoper heeft op 1 augustus 2024 zijn horecaonderneming voor € 120.000 verkocht aan koper. In de koopovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen dat verkoper verbiedt om binnen een straal van 30 kilometer concurrerende activiteiten te verrichten. Aan overtreding is een boete van € 25.000 per overtreding en € 5.000 per dag verbonden. Eind december 2025 wordt op circa 550 meter afstand een nieuwe horecagelegenheid geopend, formeel op naam van de oom van verkoper. Volgens koper is verkoper de feitelijke exploitant en schendt hij daarmee het concurrentiebeding. Koper vordert onder meer staking van de concurrerende activiteiten en betaling van € 95.000 aan contractuele boetes.

Oordeel

De rechtbank oordeelt dat verkoper het concurrentiebeding heeft geschonden, omdat uit verschillende omstandigheden blijkt dat hij de feitelijke exploitant van de nieuwe horecagelegenheid is. De onverkorte toepassing van het concurrentiebeding is echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:248 lid 2 BW). Gelet op de belangen van partijen wordt de geldingsduur beperkt tot anderhalf jaar na de bedrijfsoverdracht en de geografische reikwijdte tot 2 kilometer. Omdat de nieuwe horecagelegenheid binnen deze grenzen is geëxploiteerd, is sprake van een overtreding. De rechtbank matigt de gevorderde boete van € 95.000 op grond van artikel 6:94 BW tot € 25.000. Daarbij weegt mee dat partijen nauwelijks over het boetebeding hebben onderhandeld, de de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en de boete bijna 80% van de koopsom bedraagt. Omdat de geldingsduur van het concurrentiebeding inmiddels is verstreken, hoeft verkoper zijn concurrerende activiteiten niet te staken.