Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 30 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13177
Feiten
Werknemer is voormalig wethouder van de gemeente. Begin 2023 is werknemer afgetreden en arbeidsongeschikt gemeld. Als gevolg van zijn aftreden als wethouder had werknemer op grond van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (hierna: Appa) tot twee jaar na zijn aftreden recht op een uitkering. Omdat werknemer arbeidsongeschikt is, behield hij na verloop van deze twee jaar recht op de uitkering. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de mate waarin werknemer arbeidsongeschikt is verklaard. Om de hoogte van de Appa-uitkering waar werknemer recht op heeft vast te stellen, is op 4 januari 2025 een medisch onderzoek en op 15 januari 2025 in opdracht van de gemeente een arbeidsdeskundig onderzoek uitgevoerd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer. Naar aanleiding van deze onderzoeken is een arbeidsongeschiktheidspercentage van 60,81% vastgesteld en is de hoogte van de Appa-uitkering van werknemer aangepast. Bij brief van 5 juni 2025 verzoekt Centraal Beheer werknemer om een machtiging te verlenen op grond waarvan voor een periode van zes maanden medische informatie bij zijn huisarts, specialist of behandelaar kan worden opgevraagd. Werknemer heeft per e-mail van 6 juni 2025 vanwege de waarde die hij hecht aan zijn privacy geweigerd om deze machtiging te verlenen. In dezelfde e-mail heeft hij aangegeven dat hij wel bereid is om zijn medewerking te verlenen aan een beoordeling van zijn medische situatie en voorgesteld om op een andere wijze informatie te verstrekken. Zijn bezwaar is vooral gelegen in de duur van de machtiging (zes maanden). Centraal Beheer heeft de door werknemer voorgestelde mogelijkheden van informatieverstrekking met haar e-mail van 3 juli 2025 afgewezen. In dezelfde e-mail heeft Centraal Beheer werknemer nogmaals gevraagd om de machtiging te verlenen. Met zijn e-mail van 4 juli 2025 heeft werknemer Centraal Beheer gevraagd naar de wettelijke grondslag van dit verzoek en aangegeven dat hij zonder een wettelijke grondslag niet bereid was om medische informatie aan Centraal Beheer aan te leveren. Hierna heeft werknemer nog een aantal keer met zowel Centraal Beheer als met de gemeente gecommuniceerd over manieren waarop hij de medische informatie aan Centraal Beheer kan verstrekken. Bij brief van 4 december 2025 bericht de gemeente aan werknemer dat hij opnieuw zou worden onderzocht door een deskundige, die gezamenlijk door Centraal Beheer en de gemeente zou worden aangewezen. Werknemer heeft op 15 januari 2026 het spreekuur bezocht van de aangewezen verzekeringsarts en de verzekeringsarts inzage verleend in zijn medische gegevens. De arts heeft werknemer op basis van dit onderzoek volledig arbeidsongeschikt verklaard. Dit heeft weer geleid tot aanpassing van de hoogte van de Appa-uitkering van werknemer. Werknemer heeft het rapport van de verzekeringsarts op 10 februari 2026 ter beschikking gesteld aan Centraal Beheer. Op 10 maart 2026 heeft Centraal Beheer met een brief aan werknemer laten weten dat de medisch adviseur van Centraal Beheer graag de stukken wil ontvangen die door de arts zijn meegenomen bij het opstellen van haar rapport. Bij deze brief is een aangepaste machtiging gevoegd voor het opvragen van de medische informatie die gebruikt is bij het rapport van het onderzoek van 6 januari 2026 en voor het opvragen van informatie bij de behandelaar van werknemer. De machtiging heeft weer een geldigheidstermijn van zes maanden. De gemeente vordert onder meer dat de voorzieningenrechter werknemer veroordeelt om zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het door Centraal Beheer verlangde verzekeringsgeneeskundig onderzoek, zulks teneinde Centraal Beheer in staat te stellen de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer vast te stellen.
Oordeel
De gemeente stelt dat het recht van werknemer op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy in dit specifieke geval niet van doorslaggevend belang is, en dat werknemer in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelt tegenover de gemeente door doelbewust de uitvoering van een rechtsgeldige verzekeringsovereenkomst te frustreren. Werknemer wist of behoorde namelijk te weten dat de gemeente op grond van de Appa gehouden is tot doorbetaling van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid van (voormalig) bestuurders. Het was voor werknemer daarnaast kenbaar dat de gemeente zich had verzekerd tegen dit risico bij Centraal Beheer. Van een (voormalig) wethouder mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de manier waarop publieke middelen worden beschermd, zoals in dit geval aan de hand van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de gemeente. Het is voor werknemer ook duidelijk dat zijn medewerking een essentiële en onmisbare voorwaarde vormt voor het functioneren van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en daarmee voor de bescherming van de financiële belangen van de gemeente. Verder stelt de gemeente dat de gevraagde machtiging een gerechtvaardigde inbreuk is op artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is van oordeel dat werknemer niet onrechtmatig handelt door de door Centraal Beheer gevraagde machtiging niet te verlenen. Er bestaat geen (wettelijke) plicht voor werknemer om deze machtiging aan Centraal Beheer te verlenen. De door de gemeente afgesloten verzekeringsovereenkomst geldt alleen tussen de gemeente en Centraal Beheer. De enige verplichting die werknemer in dit kader heeft, volgt uit artikel 133d Appa. Op grond van dit artikel moet werknemer zich jaarlijks laten onderzoeken door een of meer door de gemeente aangewezen geneeskundigen om vast te kunnen stellen of en in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid. Vaststaat dat werknemer aan deze verplichting heeft voldaan. Zoals werknemer tijdens de zitting heeft aangevoerd, heeft de gemeente ervoor gekozen om een verzekering met deze polisvoorwaarden af te sluiten. Dat de gemeente op grond van deze polisvoorwaarden voor het verkrijgen van dekking onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering afhankelijk is van de toestemming van werknemer, komt dan ook voor rekening en risico van de gemeente. Dat de uitkeringen onder de Appa worden gedaan met publieke middelen en werknemer als voormalig wethouder een zwaardere maatschappelijke zorgvuldigheid in acht moet nemen ten aanzien van de besteding van die middelen, zoals de gemeente betoogt, betekent niet dat werknemer de zeggenschap over zijn medische gegevens moet prijsgeven en zich moet committeren aan de polisvoorwaarden. Bovendien heeft werknemer, hoewel hij hiertoe niet verplicht was, op verschillende manieren geprobeerd om Centraal Beheer op alternatieve manieren tegemoet te komen. Vast staat ook dat hij heeft meegewerkt aan een (her)keuring door een mede door Centraal Beheer aangestelde verzekeringsarts en dat hij deze arts inzage heeft gegeven in zijn medisch dossier. Ook hieruit blijkt dat werknemer voldoende oog heeft voor het belang van de gemeente en dat hij niet maatschappelijk gezien onzorgvuldig handelt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de polisvoorwaarden geen grondslag voor een gerechtvaardigde inbeuk op het door artikel 8 EVRM beschermde privéleven van werknemer, alleen al niet omdat de inmenging niet bij wet is voorzien. Werknemer kan zich in deze situatie bovendien beroepen op artikel 9 AVG, waaruit ook volgt dat zijn toestemming nodig is voor de verwerking van zijn medische gegevens door Centraal Beheer. De zeggenschap ligt dus bij werknemer en kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet door een contractuele afspraak tussen de gemeente en Centraal Beheer worden weggenomen.
