Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 16 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9472
Werknemer krijgt bewijsopdracht voor gestelde afspraak over terugbetaling van loon aan de inlener.

Feiten

Werknemer komt vanuit Iran naar Nederland om als kennismigrant te werken bij een onderneming. Omdat deze geen erkend referent is, treedt hij formeel in dienst bij payrollbedrijven en verricht hij vanaf augustus 2022 werkzaamheden voor de onderneming. Volgens werknemer heeft hij met de onderneming en haar directeur-grootaandeelhouder afgesproken dat hij een deel van zijn nettoloon aan hen moest terugbetalen. Hij stelt dit ook te hebben gedaan en vordert de betaalde bedragen terug, omdat de afspraak volgens hem nietig is dan wel er sprake is van onverschuldigde betaling. Hij onderbouwt zijn vordering met bankafschriften, een WhatsAppbericht en een gesprekstranscriptie. De onderneming en haar directeur betwisten zowel de afspraak als de terugbetalingen en stellen dat de betalingen verband hielden met onder meer materialen en leningen. Daarnaast vordert werknemer dat de directeur een procedure in Iran over een door zijn broer verstrekte cheque staakt. Volgens de directeur is die procedure echter door de broer van werknemer zelf gestart.

Oordeel

De rechtbank oordeelt als volgt. De onderneming en haar directeur hebben de gestelde terugbetalingsafspraak en de uitvoering daarvan gemotiveerd betwist. De overgelegde stukken bieden vooralsnog onvoldoende bewijs. Zonder geluidsopname kan niet worden vastgesteld wat de aard van het gesprek was en of de directeur daaraan deelnam. Ook de bankafschriften en het WhatsAppbericht onderbouwen de gestelde terugbetalingen onvoldoende. Op grond van artikel 150 Rv moet werknemer daarom bewijzen dat de afspraak is gemaakt en uitgevoerd. De vordering tot staking van de procedure in Iran wordt afgewezen, omdat deze niet door de directeur, maar door de broer van werknemer is gestart. De directeur kan die procedure dus niet staken. Bovendien is een procedeerverbod vanwege het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, bijvoorbeeld bij misbruik van bevoegdheid. De rechtbank kan niet vaststellen dat de directeur evident ongegrond verweer voert of de cheque onterecht gebruikt. Die discussie moet in Iran worden gevoerd. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering.