Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12256
Feiten
Werknemer werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij werkgeefster. Die arbeidsovereenkomst eindigde op 2 maart 2026. Werkgeefster heeft besloten om de arbeidsovereenkomst daarna niet voort te zetten. Volgens werknemer heeft werkgeefster hem dat niet op tijd laten weten. Hij maakt daarom aanspraak op de aanzegvergoeding, met buitengerechtelijke kosten. Volgens werknemer klopt daarnaast de eindafrekening niet. Hij verzoekt daarom dat werkgeefster wordt veroordeeld om een correcte eindafrekening op te stellen en om het bedrag dat daaruit volgt te betalen. Werkgeefster is het hier niet mee eens. Ze voert aan dat ze werknemer op tijd heeft laten weten dat ze de arbeidsovereenkomst niet wil voortzetten, zodat ze geen aanzegvergoeding verschuldigd is. De eindafrekening die ze heeft opgestuurd is volgens werkgeefster correct. Daarom moeten de verzoeken die daarmee te maken hebben ook worden afgewezen. Werkgeefster verzoekt zelf dat werknemer wordt veroordeeld om € 1.566,21 aan haar te betalen, omdat hij bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst een negatief verlofsaldo had.
Oordeel
Er is geen discussie over dat werkgeefster uiterlijk 2 februari 2026 aan werknemer moest laten weten of zijn arbeidsovereenkomst na 2 maart 2026 zou worden voortgezet (artikel 7:668 lid 1 BW). Werknemer stelt dat werkgeefster dit niet heeft gedaan. Werkgeefster voert aan dat ze dit wel heeft gedaan, in een brief van 28 januari 2026. Die brief heeft ze bij het verweerschrift gevoegd. Werknemer heeft betwist dat hij die brief heeft ontvangen. Het is aan werkgeefster om te onderbouwen dat werknemer die brief wel heeft ontvangen of dat deze hem niet heeft bereikt vanwege een oorzaak die voor rekening van werknemer komt. Alleen dan komt aan de brief “werking” toe (artikel 3:37 lid 3 BW). Werkgeefster heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat werknemer de brief heeft ontvangen of dat het voor zijn rekening komt dat hij de brief niet heeft ontvangen. Werkgeefster heeft er verder op gewezen dat op de loonstroken van januari tot en met maart 2026 staat: ‘uit dienst 02-03-2026’. Volgens haar kan dit (ook) worden gezien als een aanzegging. De kantonrechter volgt haar daarin niet. Omdat werkgeefster onvoldoende heeft onderbouwd dat werknemer een tijdige aanzegging heeft ontvangen moet zij werknemer de aanzegvergoeding betalen van één maandsalaris. De door werknemer geëiste vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. De gemachtigde van werknemer heeft namelijk alleen een paar korte e-mails verstuurd. Dat is niet genoeg voor het recht op een vergoeding (artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv). Bij het einde van het dienstverband heeft werkgeefster een eindafrekening opgesteld. Volgens werknemer klopt het vakantie-urensaldo daarop niet. Hij wil daarom een gecorrigeerde versie ontvangen. Werknemer heeft niet aangegeven wat hij heeft aan een specificatie met een ander saldo aan verlofuren, nu bij de eindafrekening deze uren niet in mindering zijn gebracht. Dit verzoek wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen (artikel 3:303 BW). Werkgeefster heeft onbetwist gesteld dat werknemer recht had op 190 uur verlof gedurende zijn dienstverband en dat hij 243,27 uur heeft opgenomen. Dat leidt tot een negatief verlofsaldo van 53,27 uur. In de cao staat dat de werkgever een negatief verlofsaldo mag verrekenen met het salaris (artikel 6.2). Dat heeft werkgeefster niet gedaan. Dat werkgeefster het recht heeft op verrekening impliceert ook dat zij een vorderingsrecht heeft (artikel 6:127 BW). Daarom heeft werkgeefster het recht om te verzoeken dat werknemer wordt veroordeeld om het loon over de uren die hij niet gewerkt heeft terug te betalen, omdat hij dat loon onterecht heeft gehad (artikel 6:203 BW). Er is geen discussie over dat zijn uurloon € 15,81 is. Hij moet daarom € 842,20 terugbetalen.
