Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 27 oktober 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:7005
Feiten
Werknemer is op 1 september 2014 in dienst getreden bij Taxperience Interim Solutions B.V. (hierna: TIS) in de functie van Senior Sales Interim Tax. In de arbeidsovereenkomst zijn een concurrentie-, relatie- en niet-ronselbeding opgenomen met een duur van achttien maanden na einde dienstverband. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst zelf opgezegd om in dienst te treden bij CROP Accountants en Adviseurs (CROP), waar hij, naar eigen zeggen tegen een aanzienlijke verbetering van zijn salaris, zich eveneens zou gaan bezighouden met het werven en plaatsen van interim-fiscale professionals. Ook zou hij een aandeel verwerven in een nieuw op te richten recruitment-bv samen met een eerder bij TIS vertrokken oud-partner. Werknemer vordert primair volledige ontheffing van het concurrentiebeding, subsidiair beperking daarvan voor zover het CROP Interim B.V. betreft, meer subsidiair beperking tot zes maanden en een straal van vijftig kilometer rond ’s-Hertogenbosch en nog meer subsidiair een voorschot op de vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 (oud) BW. TIS vordert in reconventie handhaving van het concurrentie- en relatiebeding voor de volledige duur van achttien maanden, op straffe van een dwangsom.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en TIS is vóór 1 januari 2015 tot stand gekomen, zodat op grond van overgangsbepaling XXIIc van de Wet werk en zekerheid artikel 7:653 (oud) BW van toepassing is. Een concurrentiebeding beperkt een werknemer in zijn grondrecht van vrije arbeidskeuze. Een dergelijke beperking is slechts geoorloofd als daar een gewichtig belang van de werkgever tegenover staat. Het concurrentiebeding is rechtsgeldig overeengekomen en TIS heeft een gewichtig belang bij handhaving ervan: werknemer gaat bij CROP een soortgelijke functie vervullen, kan zijn bij TIS opgebouwde kennis en netwerk aanwenden en gaat daarbij samenwerken met een eerder bij TIS vertrokken oud-partner, zodat het bedrijfsdebiet van TIS wordt bedreigd. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van werknemer bij indiensttreding bij CROP, temeer nu hij de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd, het salarisverschil beperkt blijkt tot een paar honderd euro per maand en niet aannemelijk is dat hij buiten de fiscale sector geen ander werk zou kunnen vinden. Het relatie- en geheimhoudingsbeding bieden onvoldoende bescherming om het concurrentiebeding te kunnen missen. Gelet op het recht op vrije arbeidskeuze en de omstandigheid dat het concurrentievoordeel door tijdsverloop afneemt, wordt de duur van het beding wel beperkt tot één jaar in plaats van de overeengekomen achttien maanden. Voor een geografische beperking bestaat geen aanleiding, omdat TIS landelijk actief is. De gevorderde vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 (oud) BW wordt afgewezen, evenals de door TIS gevorderde dwangsom, nu het reeds overeengekomen boetebeding voldoende prikkel tot nakoming biedt. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten in conventie. De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd.
