Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23160
Feiten
Werkneemster is per 1 november 2024 op basis van een jaarcontract in dienst getreden bij de Staat (Justis) in de functie van medewerkster verwerken en behandelen met een loon van € 3.246,16 bruto per maand, 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Bij goed functioneren zou het dienstverband na een jaar worden omgezet in een vast dienstverband. Werkneemster heeft tijdens het sollicitatiegesprek aangegeven dat zij lijdt aan de chronische ziekte endometriose. Haar contract werd niet verlengd, terwijl haar functioneren als goed werd beoordeeld. Volgens de Staat was het frequente ziekteverzuim de reden. Tijdens verschillende functioneringsgesprekken is nooit iets opgemerkt over het ziekteverzuim van werkneemster en/of dat het vermeende frequente kortdurende ziekteverzuim van invloed zou zijn op de planning en bedrijfsvoering van de Staat. Werkneemster stelde dat dit verzuim samenhing met haar chronische ziekte en dat er sprake is van indirecte discriminatie. Het College voor de Rechten van de Mens heeft bevestigd dat endometriose beschouwd wordt als een chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ. Omdat de reden van het niet verlengen van het dienstverband is gebaseerd op de chronische ziekte van werkneemster handelt de Staat ernstig verwijtbaar en maakt werkneemster aanspraak op een billijke vergoeding. De Staat betwist dat er sprake is van een chronische aandoening in de zin van de WGBH/CZ, enerzijds op grond van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en anderzijds omdat de Staat niet bekend was met de omstandigheid dat bij werkneemster sprake was van een chronische ziekte.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat endometriose moet worden gezien als een chronische ziekte in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). De Staat wist – zo blijkt uit de door de Staat overgelegde Whatsapp-geschiedenis – dat werkneemster geregeld buikklachten ondervond door haar endometriose. Ook heeft de Staat erkend dat het jaarcontract niet werd verlengd uitsluitend vanwege de ziekmeldingen. De Staat had naar het oordeel van de kantonrechter nader onderzoek moeten doen naar het verband tussen de ziekte en het verzuim, maar heeft dat niet gedaan. Daardoor is het vermoeden ontstaan dat de Staat heeft gehandeld in strijd met de Wgbh/cz door het dienstverband niet te verlengen. De Staat heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, het vermoeden van verboden onderscheid wegens chronische ziekte of handicap kunnen weerleggen. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Staat de arbeidsovereenkomst niet heeft verlengd en niet heeft voortgezet vanwege de chronische ziekte. Daarmee heeft de Staat in strijd gehandeld met artikel 4 Wgbh/cz. Handelen in strijd met het verbod van onderscheid van artikel 4 Wgbh/cz is naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen van de Staat. Werkneemster heeft daardoor recht op een billijke vergoeding. Zij vroeg € 46.837,41 aan billijke vergoeding, wat overeenkomt met een brutojaarsalaris. De kantonrechter kent een billijke vergoeding toe van het bruto-equivalent van een bedrag van € 4.325,28 netto. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat het contract van werkneemster inderdaad zou worden verlengd, maar hield bij het berekenen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening met de Ziektewetuitkering die werkneemster ontving.
