Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2332
Feiten
Tot 1 januari 2017 gold voor de werknemers van werkgever een bedrijfspensioenregeling die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden (NN). Dat betrof een middelloonregeling. Deze pensioenregeling kende een voorwaardelijke indexatieregeling. Bij brief van 6 november 2023 heeft NN aan de inactieven (pensioengerechtigden en slapers) van voor 1 januari 2017 bericht dat er geen middelen meer zijn om te indexeren. Bij brief van 5 december 2023 heeft de OR de nietigheid ingeroepen van de door NN aangekondigde beëindiging van de toeslagregeling wegens het ontbreken van instemming van de OR met de beëindiging. De centrale vraag is of de mededeling van NN als een besluit in de zin van de WOR kan worden beschouwd.
Oordeel
Het gerechtshof oordeelt als volgt.
Aangekondigde beëindiging van de toeslagregeling wordt als (de mededeling van) een besluit tot intrekking van een regeling op grond van een pensioenovereenkomst aangemerkt in de zin van de WOR
De in de brief van NN aangekondigde beëindiging van de toeslagregeling wordt als (de mededeling van) een besluit tot intrekking van een regeling op grond van een pensioenovereenkomst aangemerkt, waarvoor op de voet van artikel 27 lid 1 onder a Wet op de ondernemingsraden (WOR) de instemming van de OR is vereist. Niet is in geschil dat bedoeld besluit niet aan de OR ter instemming is voorgelegd en dat de OR na kennisneming van de beëindigingsbrief van NN tijdig was met het op de voet van artikel 27 lid 5 WOR inroepen van de nietigheid van dat besluit.
