Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 24 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3098
Feiten
Werknemer is per 1 augustus 1989 in dienst getreden bij Totalenergies EP Nederland B.V. (hierna: TEPNL). Tot november 2018 heeft werknemer diverse functies in Nederland uitgeoefend. Daarna heeft werknemer als expat enkele functies in het buitenland vervuld voor vennootschappen binnen het concern. Gedurende de uitzendingen van werknemer naar het buitenland is de arbeidsovereenkomst opgeschort. Tussen TEPNL en werknemer werd voorafgaand aan uitzendingen naar het buitenland een overeenkomst gesloten waaruit volgde dat de arbeidsovereenkomst herleefde bij het eindigen van de opdracht in het buitenland. Door het eerder dan verwacht eindigen van de werkzaamheden van werknemer in Denemarken is de arbeidsovereenkomst met TEPNL per 1 oktober 2025 herleefd. Het is TEPNL niet gelukt werkzaamheden voor werknemer te vinden. Werknemer heeft een beëindigingsvoorstel afgewezen. TEPNL stelt dat het niet kunnen vinden van een nieuwe functie voor werknemer in hoofdzaak is te wijten aan het feit dat TEPNL krimpt en het aantal fte’s wordt verminderd. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de gaswinningsactiviteiten op de Noordzee, waarvoor werknemer eerder werkzaam was, worden afgebouwd en binnen een aantal jaren zullen stoppen. TEPNL wordt om deze reden afgebouwd en zal worden beëindigd. TEPNL heeft volgens haar zeggen gedurende de lopende periode gemotiveerde contractors nodig en als er terugkerende expats geplaatst moeten worden, blijven er geen gemotiveerde contractors over. TEPNL verzoekt ontbinding op de h-grond en voert aan dat werknemer een zogenoemde ‘bankzitter’ is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Deze achterliggende reden van het niet kunnen herplaatsen van werknemer betreft naar het oordeel van de kantonrechter bij uitstek een bedrijfseconomische reden. Het gaat immers om het verval van functies in verband met het afbouwen van de activiteiten en niet om een reden die is gelegen in de persoon van werknemer. Het ontslag, dat wil zeggen de onderliggende reden en de keuzes die TEPNL daarbij maakt ten aanzien van haar personeelsbeleid, zal binnen dat kader moeten worden getoetst. De vergelijking met de Shell-beschikking zoals TEPNL die heeft gemaakt gaat niet op omdat deze concrete situatie daar niet speelde. De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om ambtshalve een andere ontbindingsgrond te hanteren. Daartoe is te weinig gesteld. Dit leidt ertoe dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen. De kantonrechter constateert dat in de overeenkomst tussen TEPNL en werknemer is bepaald dat het loon bij terugkeer (herleving van de arbeidsovereenkomst) zal corresponderen (ofwel overeenstemmen) met het laatstgenoten loon bij TotalEnergies Gestion Internationale (hierna: TGI). Over een wisselkoersverhouding is niets bepaald. Het betreffende artikel zegt echter niets over de situatie bij terugkeer van werknemer naar TEPNL, nog afgezien ervan dat TEPNL geen partij was bij de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en TGI en aan die overeenkomst daarom geen aanspraken kan ontlenen. De in de overeenkomst genoemde wisselkoersverhouding kan dan ook geen maatstaf vormen voor de bepaling van het loon van werknemer bij TEPNL in euro’s vanaf 1 oktober 2025. Omdat in een bepaling die betrekking heeft op de terugkeer van werknemer bij TEPNL niets anders is bepaald dan dat het loon bij TEPNL zal corresponderen met het laatstverdiende loon bij TGI, zal de omrekening bij afwezigheid van een gefixeerde omrekenfactor moeten plaatsvinden op basis van de op dat moment, in dit geval 1 oktober 2025, geldende wisselkoers. Dat leidt immers tot het loon dat overeenstemt met het laatste in Zwitserse franken genoten loon. Het door werknemer berekende en gestelde bedrag is als zodanig niet door TEPNL weersproken en daarom zal daarvan worden uitgegaan. TEPNL wordt in de proceskosten veroordeeld.
