Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19770
Kort geding. Vorderingen werkgeefster in verband met vermeende overtreding concurrentie- en relatiebeding door makelaar afgewezen, motivering bedingen in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd onvoldoende.

Feiten

Werkneemster is per 17 maart 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van makelaar/vastgoedadviseur. Partijen zijn een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor twaalf maanden overeengekomen. Werkgeefster exploiteert een makelaarskantoor in het Westland. Partijen zijn een concurrentie- en relatiebeding voor een periode van 12 maanden overeengekomen. De arbeidsovereenkomst is niet verlengd en is per 16 maart 2026 van rechtswege geëindigd. Per 17 maart 2026 is werkneemster in dienst getreden bij een ander makelaarskantoor. Werkgeefster heeft werkneemster op 15 april 2026 gesommeerd dat haar indiensttreding bij het makelaarskantoor onder het bereik van het concurrentiebeding valt en heeft haar gesommeerd zich te onthouden van verdere overtredingen. Ook heeft zij werkneemster erop gewezen dat er boetes waren verbeurd. Werkgeefster vordert een veroordeling van werkneemster tot, onder meer, het staken en gestaakt houden van haar werkzaamheden en een voorschot op verbeurde boetes.

Oordeel

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang wordt aangenomen. In de eerste zin van die motivering van het concurrentiebeding wordt gewezen op het belang van werkgeefster bij bescherming van bedrijfsgevoelige informatie en relatiebestanden, omdat werkneemster daarmee in haar functie in aanraking zou komen. De daaropvolgende zinnen bevatten echter geen dragende motivering voor het concurrentiebeding. Daarin wordt immers het belang van het behoud van relaties benadrukt en gewezen op mogelijke schade indien met kennis van deze cliënten relaties worden benaderd. Dat ziet veeleer op het relatiebeding, hetgeen als een van het concurrentiebeding afzonderlijk beding moet worden beschouwd. De motivering is niet toereikend. In die motivering wordt niet duidelijk gemaakt welke concrete gevoelige bedrijfsinformatie werkneemster in haar functie zal opdoen en evenmin welke concrete bedrijfsinformatie werkgeefster onevenredig zou schaden bij indiensttreding van werkneemster bij een concurrent. Werkgeefster stelt dat het in de makelaardij draait om het verwerven en behouden van relaties door te concurreren op courtages en dienstverlening. Op basis van deze en overige stellingen lijkt het werkgeefster met name te doen te zijn om de bescherming van kennis over de hoogte van de door haar gehanteerde (minimum)courtage en daarmee haar concurrentiepositie, maar die kennis wordt in de motivering niet als bedrijfsgevoelige informatie gespecificeerd. Juist omdat de schriftelijke motivering het toetsingskader bepaalt, had een dergelijke concretisering daarin niet mogen ontbreken. Die motivering maakt daarnaast niet inzichtelijk welke relatiebestanden concreet bescherming behoeven. Zo is in de motivering bijvoorbeeld niet toegelicht of het uitsluitend gaat om relatiebestanden in de particuliere woningmarkt of in de bedrijfsonroerendgoedmarkt. Uit de onweersproken stelling van werkneemster dat zij uitsluitend werkzaam was in de aan- en verkoop van woningen, volgt reeds dat geen sprake is van een specifiek op werkneemster toegespitste afweging en bijpassende specifieke motivering. De motivering van het relatiebeding voldoet evenmin aan de daaraan te stellen eisen. Zoals hiervoor is overwogen, maakt de motivering niet duidelijk met welke concrete bedrijfsgevoelige informatie werkneemster in haar functie bekend zou raken en welke relaties of relatiebestanden concreet bescherming behoeven. Weliswaar wordt vermeld dat in het Westland veel makelaarskantoren actief zijn, dat het hebben en behouden van relaties daarom van groot belang is en dat schade kan ontstaan indien met kennis van deze cliënten relaties worden benaderd, maar een concretisering en specificatie van de te beschermen relaties ontbreekt. Werkgeefster heeft ter zitting toegelicht dat onder relaties niet alleen particuliere woningzoekenden en -aanbieders moeten worden verstaan, maar dat daaronder ook vallen contacten zoals notarissen en bouwkundige adviseurs in het Westland en dat het relatiebeding met name strekt tot bescherming van het door werkneemster opgebouwde netwerk binnen deze Westlandse makelaardij. Deze toelichting is echter niet terug te vinden in de schriftelijke motivering zelf, terwijl hiermee juist concreter wordt dat en waarom het opgebouwde netwerk binnen de Westlandse makelaardij bij einde dienstverband afgeschermd dient te worden van een andere makelaar die actief is in dezelfde regio en waaruit dat netwerk specifiek bestaat. Nu aannemelijk is dat zowel het concurrentie- als relatiebeding in een bodemprocedure niet de toets met betrekking tot het motiveringsvereiste zal doorstaan, worden de vorderingen van werkgeefster afgewezen. De loonvordering van werkneemster wordt toegewezen, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.