Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 8 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6368
Feiten
Werkneemster is per 26 mei 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van arts. Werkgeefster is een cosmetische kliniek gespecialiseerd in huidverzorging en injectables, zoals fillers en botox. Werkneemster heeft de Jamaicaanse nationaliteit. Werkneemster beschikt niet over een inschrijving in het BIG-register. Werkneemster verbleef in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning toen daar oorlog uitbrak. Werkneemster is als derdelander naar Nederland gekomen. Werkneemster heeft een verblijfsvergunning als kennismigrante aangevraagd en verkregen. De tijdelijke bescherming van derdelanders is per 4 maart 2024 beëindigd. De gevolgen waren in eerste instantie bevroren maar dit laatste is opgeheven op 4 september 2025. Op 9 april 2025 heeft de IND laten weten voornemens te zijn om de verblijfsvergunning van werkneemster met terugwerkende kracht per 27 augustus 2024 in te trekken. De reden hiervoor was dat werkneemster niet aan de voorwaarden voor de vergunning voldeed: zij beschikte niet over de vereiste BIG-registratie of geclausuleerde inschrijving in het BIG-register. Werkneemster is sinds 27 juni 2025 arbeidsongeschikt. De IND heeft de verblijfsvergunning van werkneemster bij beschikking van 13 november 2025 met terugwerkende kracht vanaf 27 augustus 2024 ingetrokken. Werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen het terugkeerbesluit en probeert alsnog een verblijfsvergunning te krijgen op basis van haar relatie met een Nederlandse partner. Werkgeefster verzoekt ontbinding op de h-grond, nu de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden. Werkneemster voert aan dat zij in afwachting van de beslissing van de IND tot 10 september 2026 legaal in Nederland mag verblijven en tot die datum ook met een tewerkstellingsvergunning mag werken. Werkneemster is bereid om andere werkzaamheden dan die behorend bij haar functie als arts te verrichten, zodra zij daartoe medisch in staat is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft aangevoerd dat de verzochte ontbinding geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Werkneemster heeft dat niet weersproken. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij een belang heeft bij behoud van de arbeidsovereenkomst, maar heeft tegelijkertijd erkend dat het ontbreken van een vergunning en BIG-registratie feiten zijn waar zij niet omheen kan. De kantonrechter concludeert dat het opzegverbod tijdens arbeidsongeschiktheid niet in de weg staat aan ontbinding nu het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De arbeidsovereenkomst wordt op de h-grond ontbonden. In april 2025 is gebleken dat deze vergunning ten onrechte was afgegeven, omdat werkneemster niet aan de voorwaarden voldeed. De vergunning is ingetrokken. Voorwaarde voor verstrekking van een dergelijke vergunning is dat de kennismigrant moet beschikken over een (geclausuleerde) BIG- registratie. Werkneemster beschikt niet over een dergelijke registratie. Niet in geschil is dat werkneemster ook niet binnen afzienbare termijn over een registratie in het BIG-register kan komen te beschikken. Werkneemster voert zelf aan dat alleen al de toetsplekken voor een BIG-registratie tot en met 2027 vol zitten. Werkneemster kan, nu zij niet beschikt over een BIG-registratie, niet haar werk uitvoeren als arts bij werkgeefster. Zij komt vanwege de omstandigheid dat zij niet staat ingeschreven in het BIG-register ook niet in aanmerking voor een geldige verblijfsvergunning als kennismigrante en deze kan zij ook niet binnen afzienbare tijd verkrijgen. Vast staat aldus dat werkneemster haar eigen functie als arts niet kan en mag uitoefenen bij werkgeefster. Werkneemster heeft aangeboden om (zodra zij daartoe medisch in staat is) andere werkzaamheden voor werkgeefster te verrichten. Werkgeefster heeft onweersproken gesteld dat zij enkel vacatures heeft voor de functie van arts. De herplaatsingsplicht van een werkgever gaat niet zo ver dat er een functie gecreëerd moet worden. Daarbij geldt dat werkneemster ook voor het uitvoeren van andere werkzaamheden dan die van arts moet beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Nog los van het feit dat het nog maar zeer de vraag is of deze zal worden verkregen, geldt evenwel dat er geen functie vacant is waarvoor een vergunning kan worden aangevraagd. De slotsom is dat werkgeefster werkneemster niet mag laten werken als arts en haar ook geen andere werkzaamheden mag en hoeft te laten uitvoeren. Van werkgeefster kan dan ook niet in redelijkheid worden gevergd de arbeidsovereenkomst met werkneemster te laten voortduren. Werkgeefster wordt ertoe veroordeeld de transitievergoeding te betalen. De proceskosten worden gecompenseerd.
