Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8495
Feiten
Werknemer is per 6 december 2021 in dienst getreden bij Mach technology staff B.V. (hierna: Mach) in de functie van algemeen directeur. Op 6 januari 2026 is aan werknemer meegedeeld dat Mach de arbeidsovereenkomst met hem wil beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst en dat hij per direct vrijgesteld werd van zijn werkzaamheden. Op 8 januari 2026 heeft Mach hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Werknemer heeft het aanbod niet aanvaard en vordert een veroordeling van Mach tot wedertewerkstelling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De eis van werknemer wordt afgewezen. Zijn belang bij wedertewerkstelling weegt minder zwaar dan het belang van Mach bij voortzetting van de op non-actiefstelling. Onderkend wordt dat werknemer op grond van de arbeidsovereenkomst in beginsel recht heeft om te worden toegelaten tot zijn werkplek om zijn functie uit te oefenen. Hierop wordt een inbreuk gemaakt door hem dit te beletten. De op non-actiefstelling levert ook reputatieschade op. Het heeft grote impact op werknemer, nu en mogelijk ook in de toekomst. Hier staat tegenover dat Mach heeft aangevoerd dat haar andere directieleden en de aandeelhouders te kennen hebben gegeven dat er onvoldoende vertrouwen is in een verdere succesvolle samenwerking met werknemer. In de kern is de reden daarvoor - in de visie van Mach - het onder de maat presteren door werknemer, zonder zich hierin te verbeteren, en moeilijke omgang met feedback hierover, wat de verstandhouding en samenwerking onder druk heeft gezet. Er is sprake van een onwerkbare verhouding. Het indienen van een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is uitgesteld in de hoop hierover met werknemer een regeling te kunnen treffen, aldus Mach. Over dat laatste wordt overwogen dat, op basis van het dossier en wat ter zitting naar voren is gebracht, niet uitgesloten wordt geacht dat een eventueel verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst het beoogde resultaat zal kunnen hebben. Veel is nog onvoldoende duidelijk (onderbouwd) maar ter zitting is wel naar voren gekomen dat met werknemer gesproken is over tegenvallende resultaten en over hoe dat kan verbeteren. Ook staat vast dat tussen hem en de CEO verschil van inzicht bestaat over de bedrijfsvoering en op welke wijze resultaten moeten worden bereikt. Erkend is dat in oktober 2025 een discussie tussen werknemer en de CEO de gemoederen flink heeft doen oplopen. Verder is aangevoerd dat werknemer in een gesprek met de CEO in december 2025 zelf gevraagd heeft of hij er nog vertrouwen in had. Onvoldoende weersproken is dat werknemer vervolgens boos geworden is toen de CEO antwoordde de samenwerking soms als een worsteling te ervaren, dat werknemer geroepen heeft dat het zo niet meer hoefde voor hem, en daarna weggelopen is. Tegen deze achtergrond wordt aan het belang van Mach om de op non-actiefstelling te handhaven meer gewicht toegekend. Duidelijk is dat op het hoogste niveau bij Mach thans geen vertrouwen bestaat in de samenwerking met werknemer. Dit is niet uitgepraat. Dit vertrouwen op dit hoge niveau als algemeen directeur met de daaraan verbonden grote verantwoordelijkheden is echter van groot belang voor een behoorlijke samenwerking. Daarbij komt dat uit hetgeen werknemer ter zitting heeft verklaard volgt dat hij, ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, geen enkel beletsel ziet in verdere samenwerking. Het maakt dat terugkeer van werknemer in zijn functie van algemeen directeur nu niet opportuun is, want als de samenwerking tussen betrokkenen op dit niveau problematisch is, dan doet dit af aan het goed functioneren, wat kan leiden tot verdere problemen voor de onderneming en haar personeel. Of de samenwerking in de toekomst wel weer (goed) mogelijk zal zijn, kan betwijfeld worden, gelet op het opgezegde vertrouwen en omdat, zoals werknemer terecht opmerkt, de situatie zijn reputatie geschaad heeft. De op non-actiefstelling heeft al diffamerende werking gehad, wat met wedertewerkstelling niet meteen weg is. Bij dit oordeel weegt verder in het voordeel van Mach en in het nadeel van werknemer mee dat Mach het loon van € 11.706 bruto per maand is blijven betalen, wat afdoet aan het (spoedeisend) belang van werknemer. Met de loonbetaling zal Mach in beginsel moeten doorgaan zolang het dienstverband voortduurt. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
