Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 3 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5606
Feiten
Werknemer is per 2 augustus 2023 als uitzendkracht in dienst getreden bij Deinco. Op 23 september 2024 zijn partijen een uitzendovereenkomst fase 3 (B) aangegaan, die van rechtswege is geëindigd op 31 december 2024. Op 1 januari 2025 zijn partijen opnieuw een uitzendovereenkomst fase 3 (B) aangegaan, die van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2025. Na het verlopen van de laatste uitzendovereenkomst op 30 juni 2025 heeft werknemer zijn werkzaamheden stilzwijgend voortgezet. Een opvolgende uitzendovereenkomst tussen partijen is niet ondertekend. Op de arbeidsovereenkomsten is de NBBU-CAO voor uitzendkrachten van toepassing (hierna: de cao). Per brief van 28 november 2025 heeft Deinco de arbeidsovereenkomst met werknemer beëindigd. Werknemer verzoekt Deinco te veroordelen tot voortzetting van het dienstverband en tot uitbetaling van vakantie-uren.
Oordeel
De laatste arbeidsovereenkomst is door partijen stilzwijgend vervolgd. In zo’n geval wordt de arbeidsovereenkomst geacht voor dezelfde tijd, op de vroegere voorwaarden te zijn voortgezet. De vierde arbeidsovereenkomst gold daarmee voor de duur van zes maanden, en wel voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2025. Het uitgangspunt bij een arbeidsovereenkomst is dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan drie aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogtse zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Bij een uitzendovereenkomst kan dat anders zijn. In de tussen partijen geldende cao is een afwijkende regeling opgenomen, inhoudende dat fase 3 maximaal drie jaar duurt, waarin maximaal zes uitzendovereenkomsten kunnen worden overeengekomen. Voor de arbeidsovereenkomst(en) tussen partijen geldt dat fase 3 heeft geduurd van 23 september 2024 tot en met 31 december 2025 en dat er, na het verstrijken van het fase 1/2-contract, in totaal drie fase 3-contracten hebben bestaan. Gelet op de hiervoor besproken regeling is daarmee geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. De laatste arbeidsovereenkomst is door Deinco tijdig opgezegd. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 31 december 2025 is geëindigd. De door werknemer verzochte werkhervatting zal daarom worden afgewezen.
