Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 18 mei 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:4409
Feiten
Werknemer is werkzaam bij werkgever en stelt zich via een vrije kandidatenlijst kandidaat voor de ondernemingsraadsverkiezingen. De verkiezingscommissie verklaart de kandidatenlijst ongeldig, omdat werknemer als lid van een vakbond niet bevoegd is een vrije lijst in te dienen. Binnen de in het OR-reglement opgenomen hersteltermijn wijst werknemer een andere, daartoe bevoegde werknemer aan als formeel indiener van de kandidatenlijst. De verkiezingscommissie beschouwt dit niet als herstel van de oorspronkelijke lijst, maar als een nieuwe kandidatenlijst die te laat is ingediend. Het bezwaar van werknemer wordt door de verkiezingscommissie ongegrond verklaard. Werknemer verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de ondernemingsraad artikel 8 van het OR-reglement van werkgever, waarin een herstelmogelijkheid voor ongeldige kandidatenlijsten is opgenomen, onjuist heeft toegepast en de gevolgen daaraan te verbinden die de kantonrechter in goede justitie passend acht. De ondernemingsraad voert aan dat de onbevoegde indiening geen herstelbaar gebrek is en dat daarom sprake is van een nieuwe, te laat ingediende kandidatenlijst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de uitleg van artikel 8 van het OR-reglement van werkgever is de cao-norm van toepassing. Artikel 8 bevat geen beperking ten aanzien van de gebreken die binnen de hersteltermijn kunnen worden hersteld. Evenmin bepaalt het reglement dat herstel van een ongeldige kandidatenlijst als een nieuwe indiening moet worden aangemerkt of dat daarbij de oorspronkelijke indieningsdatum vervalt. De verkiezingscommissie had het aanwijzen van een bevoegde indiener daarom moeten aanmerken als herstel van de oorspronkelijke kandidatenlijst en niet als een nieuwe, te laat ingediende kandidatenlijst. De ondernemingsraad heeft artikel 8 van het OR-reglement daarom onjuist toegepast. Nu de OR-verkiezingen inmiddels hebben plaatsgevonden en een nieuw OR-reglement van toepassing is, ziet de kantonrechter geen grond om nieuwe verkiezingen te gelasten of de benoeming van de OR-leden ongedaan te maken. Daarom verbindt de kantonrechter geen verdere gevolgen aan dit oordeel. De ondernemingsraad wordt in de proceskosten veroordeeld.
