Rechtspraak
Feiten
Werkneemster was vanaf 1 mei 1996 in dienst van de gemeente. Zij werkte laatstelijk als medewerkster Loket parkeren bij de afdeling Verkeer & Vervoer. In een e-mail van 23 januari 2014 heeft werkneemster aan haar toenmalige leidinggevende laten weten dat het op haar werkplek erg koud is en dat de situatie (voor haar) niet veel langer werkbaar is. In de periode van 8 maart 2011 tot 18 april 2013 is werkneemster arbeidsongeschikt geweest. In de periode van 18 april 2013 tot en met 27 februari 2017 is zij elfmaal kortdurend uitgevallen, variërend van periodes van twee dagen tot veertien dagen. Op 27 februari 2017 is werkneemster opnieuw uitgevallen met fysieke en mentale klachten. Op 30 juli 2018 is zij weer arbeidsgeschikt gemeld. Op 28 maart 2019 is zij opnieuw volledig uitgevallen met dezelfde klachten als begin 2017. In de periode tussen 20 juli 2018 en 28 maart 2019 had werkneemster al diverse keren preventief contact gehad met de bedrijfsarts. In die contacten was gesignaleerd dat de eerder al benoemde knelpunten nog steeds bestonden en dat hernieuwde uitval dreigde. De re-integratie is na die uitval niet meer van de grond gekomen. In een rapport van 8 april 2021 concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. In een beslissing van 9 april 2021 heeft het UWV aan werkneemster met ingang van 25 maart 2021 een WGA-uitkering toegekend in de klasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In een beschikking van 25 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen en is een billijke vergoeding toegekend. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld. Het UWV heeft in een beschikking van 28 april 2022 aan werkneemster een IVA- uitkering toegekend per 16 december 2021. Op 1 maart 2022 heeft werkneemster aan de gemeente verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 7.3 van de cao. Dat verzoek heeft de gemeente afgewezen met een brief van 31 maart 2022. Werkneemster heeft vervolgens op 7 december 2022 deze zaak aanhangig gemaakt. Centraal staat de vraag of werkneemster arbeidsongeschikt is geraakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7.3 lid 1 van de Cao Gemeenten (hierna: de cao). Deze aanvullende uitkering komt toe aan een werknemer wiens arbeidsongeschiktheid in overwegende mate is ontstaan door de aard van de opgedragen werkzaamheden of door de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is voor toekenning van een uitkering wegens ‘arbeidsongeschiktheid in en door de dienst’ bij ziekte die in sterkere mate van psychische aard is, vereist dat het gaat om werk of werkomstandigheden die naar objectieve maatstaven buitensporig van karakter zijn. Zowel kantonrechter als hof heeft geoordeeld dat van buitensporige werkomstandigheden geen sprake is geweest, ook niet tijdens de periode dat werkneemster re-integratiewerkzaamheden verrichtte. Voor wat betreft de eerder vastgestelde ernstige schending van de re-integratieverplichtingen door de gemeente is geoordeeld dat dit gegeven op zichzelf nog niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van buitensporige werkomstandigheden.
Conclusie A-G De Bock
In cassatie wordt onder meer geklaagd dat 'arbeidsongeschiktheid in en door de dienst' ook kan voortvloeien uit de schending van re-integratie. De A-G overweegt als volgt. De voorwaarden voor de aanvullende uitkering van artikel 7.3 Cao Gemeenten zijn dat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst die in overwegende mate is veroorzaakt door (a) de aard van de opgedragen werkzaamheden dan wel de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of (b) een dienstongeval dat hiermee verband houdt. Er bestaat geen recht op de aanvullende uitkering als de arbeidsongeschiktheid te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de werknemer.
Ook als het gaat om werkzaamheden die in het kader van re-integratie worden verricht kan sprake zijn van buitensporige werkomstandigheden, zo blijkt uit meerdere uitspraken. Het enkele gegeven dat een re-integratieverplichting is geschonden, kan volgens vaste rechtspraak niet leiden tot het oordeel dat sprake is van arbeidsongeschiktheid ‘in en door de dienst’ vanwege buitensporige arbeidsomstandigheden.
Er zijn verschillende uitspraken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat van buitensporige werkomstandigheden slechts sprake kan zijn als betrokkene daadwerkelijk werkzaamheden verricht. Daarin wordt namelijk overwogen dat de buitensporigheid moet worden bezien in verhouding tot de opgedragen werkzaamheden en de bij die werkzaamheden behorende omstandigheden. De vraag of dit betekent dat omstandigheden na een ziekmelding (en die betrekking hebben op een periode waarin niet meer is gewerkt) niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling of iemand arbeidsongeschikt is geworden ‘in en door de dienst’, heeft de Centrale Raad van Beroep tot nu echter nadrukkelijk onbeantwoord gelaten. Het gaat dan dus niet om omstandigheden in verband met werkzaamheden die in het kader van re-integratie worden verricht, maar om andere omstandigheden tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, zoals het uitoefenen van druk om tot mediation te komen of de opstelling van de werkgever bij de begeleiding tijdens het ziekteverzuim en de re-integratie van de zieke werknemer. In de literatuur lijkt er in het algemeen van uit te worden gegaan dat voor toepassing van artikel 7.3 lid 1 Cao Gemeenten (of vergelijkbare bepalingen) wél steeds vereist is dat feitelijk werkzaamheden zijn verricht; de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid moet immers gelegen zijn in ofwel werkzaamheden ofwel in werkomstandigheden. Ook het hof is in de voorliggende zaak uitgegaan van die opvatting. De A-G is ook deze mening toegedaan, maar sluit niet uit dat zich uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarin ook zonder dat werkzaamheden zijn verricht, sprake is van buitensporige werkomstandigheden. Te denken is aan een situatie waarin een ambtenaar of werknemer, hoewel hij of zij geen werkzaamheden verricht, wel geconfronteerd wordt met gebeurtenissen of omstandigheden die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opgedragen werkzaamheden, en die een buitensporig karakter hebben. Hoe dit ook zij, in de voorliggende zaak behoeft de vraag of – in zijn algemeenheid – sprake kan zijn van buitensporige werkomstandigheden als geen werkzaamheden worden verricht, geen beantwoording. Werkneemster heeft namelijk geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die betrekking hebben op de periode ná haar uitval op 28 maart 2019, dus de periode waarin zij geen werkzaamheden meer heeft verricht (anders dan dat de gemeente tekortgeschoten is in haar re-integratieverplichtingen).
Oordeel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond bevonden wordt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
