Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:3976
Feiten
In juni 2020 werkte opdrachtgever vanuit zijn eenmanszaak in opdracht van de particuliere eigenaar aan de ruwbouw van een te realiseren nieuwbouwwoning. Ter uitvoering van zijn opdracht heeft opdrachtgever andere zelfstandigen in zijn opdracht werkzaamheden laten verrichten, onder wie opdrachtnemer. Op vrijdag 26 juni 2020 is opdrachtnemer ten val gekomen. Opdrachtgever heeft hem in zijn werkbus naar de eerste hulp gebracht, waar is geconstateerd dat zijn beide enkels zijn verbrijzeld. Opdrachtnemer is meerdere malen geopereerd. Opdrachtgever heeft de val van opdrachtnemer niet gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: arbeidsinspectie). Dat heeft de moeder van opdrachtnemer alsnog gedaan op 21 september 2020. De arbeidsinspectie heeft vervolgens onderzoek verricht en op 18 juli 2022 proces-verbaal opgemaakt van haar bevindingen. De kantonrechter heeft in eerste aanleg opdrachtnemer in het tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat opdrachtnemer daarin is geslaagd en heeft hij de vorderingen van opdrachtnemer toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van opdrachtgever tegen het eindvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Oordeel
Partijen twisten over de vraag waar en op welke wijze opdrachtnemer op de bouwplaats ten val is gekomen en of dat tijdens of na het uitvoeren van zijn werkzaamheden is gebeurd. Opdrachtnemer stelt dat hij uit de linker uitsparing aan de achterzijde van het schilddak op het platdak van de aanbouw is gevallen. Opdrachtgever heeft dat betwist. Het dossier bevat verschillende getuigenverklaringen. De stelling van opdrachtnemer vindt allereerst steun in de verklaringen van de kraanmachinist. Ook de hulpkracht die door opdrachtnemer was ingehuurd, heeft verklaard dat er op de bovenste verdieping een pallet naar binnen werd gehesen, reden waarom opdrachtnemer daar volgens hem heen was gegaan. Dat opdrachtnemer terecht is gekomen op het platdak van de aanbouw, vindt eveneens steun in de verklaringen van de hulpkracht en ook die van de buurvrouw. Het hof stelt vast dat uiteindelijk alleen nog door opdrachtgever wordt verklaard dat opdrachtnemer op een andere plek ten val is gekomen. Dat opdrachtnemer zelf wisselend over de toedracht heeft verklaard – bij de eerste hulp dat hij van een keukentrapje zou zijn gevallen en tijdens een barbecue dat hij een geintje had willen uithalen en ook zou hebben geprobeerd een schadevergoeding bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn moeder te claimen –, doet niet af aan de bewijskracht van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen. Hoewel opdrachtgever kan worden toegegeven dat er onduidelijkheden blijven bestaan over waar in de uitsparing opdrachtnemer heeft gestaan en hoe hij daaruit is gevallen en op zijn voeten heeft kunnen landen, ligt het niet op de weg van opdrachtnemer om de precieze toedracht aan te tonen. Een onzekere toedracht komt – mits aannemelijk is dat de schade is opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, hetgeen hier het geval is – voor risico van de opdrachtgever. Het hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat opdrachtnemer, zoals hij stelt, op het platdak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of opdrachtnemer deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van opdrachtgever. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft opdrachtgever verklaard dat hij degene is geweest die alle giboblokken heeft besteld en dat hij de kraanmachinist heeft ingehuurd en betaald om onder meer die blokken in de woning te hijsen voordat het dak gesloten was. Ook als de kraanmachinist en 0pdrachtnemer uit eigen beweging de pallet in de dakuitsparing hebben gehesen, is dat gebeurd in de context van de bedrijfsuitoefening van opdrachtgever. Dat betekent dat opdrachtgever aansprakelijk is voor de schade die opdrachtnemer als gevolg van de val heeft geleden en nog lijdt. Opdrachtgever doet immers geen beroep op de uitzonderingssituaties uit artikel 7:658 lid 2 en lid 1 BW. Opdrachtgever is dan ook gehouden om de schade van opdrachtnemer te vergoeden. Het hof is het met opdrachtgever eens dat de schade op dit moment om die reden nog niet kan worden begroot, zodat de verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen blijft. Het hof bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter.
