Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5777
Feiten
Eiser is een gynaecologenpraktijk. Acibadem is een zelfstandig behandelcentrum (ZBC) dat onder meer gynaecologische zorg verleent. A is gynaecoloog. Eiser verleende sinds augustus 2020 exclusief de gynaecologische zorg voor patiënten van Acibadem tegen betaling door Acibadem. Op 1 november hebben ze een nieuwe overeenkomst van opdracht gesloten. A heeft met ingang van 1 juli 2021 op grond van een overeenkomst van opdracht als gynaecoloog gewerkt voor eiser. A heeft sinds zijn aantreden bij eiser meerdere keren bij eiser aangegeven niet tevreden te zijn met zijn financiële vergoeding. Op 10 juni 2024 heeft A aan B, statutair bestuurder van eiser, gemaild dat hij een hogere financiële vergoeding wil en daartoe verschillende voorstellen gedaan. Daarbij heeft hij ook voorgesteld dat als eiser en hij niet tot een akkoord komen, ze afscheid van elkaar zullen nemen per 1 juli 2024. Op 16 juni 2024 heeft A aan B gemaild dat hij nog steeds geen voorstel van eiser heeft ontvangen en dat hij de dag erna persoonlijk de leidinggevende medewerkers, managers en collega-specialisten zal informeren over zijn mogelijke vertrek vanwege een (naar het zich laat aanzien onoverbrugbaar) zakelijk geschil. Op 18 juni 2024 heeft B A per e-mail geantwoord, onder andere dat eiser niet akkoord gaat met een hogere vergoeding en dat hij zich afvraagt of verdere samenwerking überhaupt nog mogelijk is gelet op het vertrouwen dat ernstig is geschaad. Daarbij is vermeld dat een opzegtermijn van drie maanden is overeengekomen maar dat eiser zich onder protest zal neerleggen bij het gewenste vertrek van A per 1 juli 2024. Op 9 juli 2024 heeft de statutair bestuurder van Acibadem, C, aan eiser gemaild dat Acibadem de Acibadem-overeenkomst per heden opzegt, omdat vanwege het geschil tussen eiser en A veel spanningen op de werkvloer zijn ontstaan, en de continuïteit van de patiëntenzorg in gevaar dreigt te komen. In reactie daarop heeft eiser bij e-mail van 10 juli 2024 aan Acibadem geschreven dat deze opzegging contractueel niet mogelijk is en inhoudelijk onterecht is. Hij heeft mediation voorgesteld en in de tussentijd een ‘stand still’ om de normale gang van zaken voort te zetten. Op 1 augustus 2024 heeft A via een brief van zijn advocaat aan eiser de overeenkomst ten overvloede opgezegd op grond van artikel 5.3 sub a van die overeenkomst, vanwege de beëindiging van de Acibadem-overeenkomst. A heeft eiser twee facturen gestuurd voor verrichte werkzaamheden. Tussen oktober 2024 en februari 2025 is er een mediationtraject geweest tussen eiser en Acibadem. Partijen zijn er niet uitgekomen. Eiser vordert dat de rechtbank Acibadem en A hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding en A veroordeelt tot betaling aan eiser van contractuele boetes wegens het schenden van het relatie- en geheimhoudingsbeding.
Oordeel
Ten opzichte van A
A heeft zijn overeenkomst met eiser op 21 juni 2024 opgezegd per 1 oktober 2024, rekening houdend met de opzegtermijn van drie maanden. Vervolgens heeft A op 1 augustus 2024, tijdens de lopende opzegtermijn tot oktober 2024, de A-overeenkomst per direct opgezegd op grond van artikel 5.3 sub a van de overeenkomst. Ook dat mocht hij doen, want zoals hierna zal blijken was de Acibadem-overeenkomst toen al geëindigd. Dit betekent dat de A-overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 1 augustus 2024. A is vanaf 15 juli 2024 rechtstreeks voor Acibadem gaan werken op grond van een overeenkomst van opdracht. Hiermee heeft A het relatiebeding geschonden, want hij heeft gedurende de A-overeenkomst zonder tussenkomst van eiser gecontracteerd met Acibadem. Toch hoeft A geen contractuele boete te betalen, omdat het relatiebeding op grond van artikel 9a Waadi nietig is. In de rechtsverhouding die tussen eiser en A heeft bestaan, wordt A aangemerkt als een door eiser ter beschikking gestelde arbeidskracht in de zin van artikel 9a Waadi. Eiser wordt in dit concrete geval aangemerkt als uitzendbureau/intermediair, omdat volgens zijn eigen stellingen zijn bedrijfsvoering bestond uit het ter beschikking stellen van gynaecologen aan Acibadem en hij zijn praktijk is verloren nadat Acibadem rechtstreeks met de desbetreffende gynaecologen had gecontracteerd. A heeft onbetwist onderbouwd dat hij werkte onder leiding van eiser: hij moest met eiser zijn werkzaamheden afstemmen en afspraken maken over zijn aan- of afwezigheid, zich houden aan de verplichtingen van eiser uit de Acibadem-overeenkomst en werd per kwartaal door eiser geëvalueerd, waarbij onder meer werd gekeken naar gewerkte uren, kwaliteit, patiënttevredenheid en communicatie. Gelet op deze feitelijke omstandigheden verschilt de verhouding van A tot eiser naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk van een werknemer. Daarnaast heeft A zijn geheimhoudingsbeding niet geschonden.
Acibadem
Acibadem heeft haar overeenkomst met eiser op 9 juli 2024 met onmiddellijke ingang opgezegd. Acibadem mocht opzeggen, want daarin voorziet de Acibadem-overeenkomst, maar Acibadem mocht dat niet per direct doen. Acibadem had op grond van de Acibadem-overeenkomst een opzegtermijn van drie maanden in acht moeten nemen. Een dringende reden was er namelijk niet. Hoewel Acibadem de overeenkomst met eiser heeft opgezegd zonder de voor haar geldende opzegtermijn in acht te nemen, is de Acibadem-overeenkomst geëindigd per datum opzegging: 9 juli 2024. Partijen hebben vanaf die datum ook feitelijk gehandeld alsof de overeenkomst per direct een einde heeft genomen. De advocaat van eiser heeft weliswaar verzocht de opzegging in te trekken, maar heeft Acibadem niet gesommeerd om de overeenkomst nog (gedurende de contractuele opzegtermijn van) drie maanden na te komen. Wel is aangekondigd dat in rechte schadevergoeding zal worden gevorderd. Acibadem is door het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Gevolg hiervan is dat Acibadem op grond van artikel 6:74 lid 1 BW schadevergoeding moet betalen aan eiser. De omvang van de schadevergoeding is gelijk aan het verschil tussen de situatie die is ontstaan doordat Acibadem de Acibadem-overeenkomst onmiddellijk (per 9 juli 2024) heeft beëindigd en de situatie zoals die zou zijn geweest als Acibadem de juiste opzegtermijn van drie maanden in acht had genomen. De rechtbank ziet aanleiding om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure.
